zaterdag 15 februari 2014

Dédain

Er wordt nogal afgegeven op politici. Het schijnt vooral een hobby te zijn van populisten, en salonpopulisten. Zie onderstaande citaat uit een artikel van Pieter van Os (NRC september 2013):

'Het vernietigende werk van de salonpopulist'

Ja, politiek is in de aard een modderig bedrijf, net als journalistiek. Geslaagde politiek komt tot stand door hardwerkende mensen die hun principes opportunistisch inzetten, in een spel van wendingen, beloften, compromissen en handige aanwending van procedures. Daar komt wel eens een vreemd geurtje bij vrij, maar dat rechtvaardigt allerminst de categorische afwijzingen waarop columnisten, essayisten en vrienden op verjaarsfeestjes me regelmatig trakteren.

Opvallend is dat de aanvallen niet van de minste schrijvers en denkers komen. De beste schrijver van het land, Arnon Grunberg, noemde de politiek in Nederland in zijn hoekje op de voorpagina van de Volkskrant „een hobby voor kneusjes”. Hij schreef ook: „Het Kamerdebat: kleinkunst. De volksvertegenwoordiger: weet niets en kan niets. De Tweede Kamer: banenproject voor werklozen.” Dichter Gerrit Komrij concludeerde kort voor zijn dood: „We zitten nu met één partij. De halers (politici) versus de betalers (stemvee).” Classicus Ilja Leonard Pfeijffer noemde de democratie zonder aarzelen „een verliezend concept”: te „traag” en „weinig slagvaardig”. Marc Chavannes, commentator van deze krant, noemde de Nederlandse politiek „bewegend behang”, en: „een soap met aantrekkelijke carrièremogelijkheden waar het alleen over bijzaken gaat.”

In mijn tijd op het Binnenhof kreeg ik in de gaten wat er aan de hand was: het ‘gewone’ populisme, dat met de komst van enkele nieuwe politieke partijen vaste voet had gekregen in het parlement, had een sjieke variant gekregen: het salonpopulisme. Het manifesteerde zich vooral in allerhande commentaren, bij voorkeur ver weg van het Binnenhof geschreven. Maar het kreeg ook een vertaling in het parlement, vooral door, hoe kon het anders: Alexander Pechtold. Zijn geklaag over stilstand, over Haagse onmacht, gebrek aan moed, aan ‘nikserigheid’; het kwam in de buurt van het eindeloze, richtingloze gezanik over politiek Den Haag dat je doorgaans in de taxi hoort, of in gesprekken met PVV-stemmers en andere politiek teleurgestelden. Goed, ‘klassiek’ populisme was dit niet: Pechtold pakte niet een elite aan die geen weet heeft van wat de gewone man bezighoudt. Hij sprak niet over zakkenvullerij of de ondergang van een nostalgisch, nationaal zelfbeeld. Hij mobiliseerde wel een anti-Haags sentiment, maar onder een andere bevolkingsgroep dan Verdonk, Marijnissen, Roemer of Wilders.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten