Hoe vol is mij 't gemoed!
Hoe jaagt mij 't vuur door 't hart! hoe schokt mij 't
bruisend bloed!
Wat gloed doorstroomt mij de ad'ren!
Wat heilige aandrift spoort mijn schreên,
En doet, vermetel, mij het spreekgestoelte nad'ren,
En zweept me als voor zich heen?...
Maar, ach mijn zielloos lied
Sleept kruipend langs den grond, en volgt den ad'laar niet,
En laat zijn vlerken dalen!
Vergeefs de vlugt beproefd,
Bij 't weig'rig speeltuig en de ontstemde snaar getoefd;
Vergeefs de verw gezocht, om 't voorwerp af te malen!
Maar, neen! waar liefde woont,
Waar, één van ziel en zin, het heil der menschheid troont,
Waar uit vereende kracht het grootsch gebouw moet stijgen,
Dáár wordt ons de arbeid licht,
Dáár mag alleen belangzucht zwijgen,
Dáár is het willen schoon, dáár is het werken plicht!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten