maandag 17 februari 2014

Een omineus woord: kiezersbedrog


Daarom komt de partij allereerst voor de kiezers om zich te verdedigen, vrij te pleiten, of goed te praten al wat in de verrichte daden aan dat publiek niet zal kunnen aanstaan. Verder om zich te beroemen op andere daden, die dezen of genen kring van belanghebbenden aangenaam geweest moeten zijn. Dit soort bedelen om kiezersgunsten, dat uitteraard niet prettig is, wordt echter nog erger door de vooruitzichten en beloften, die het heet dat de kiezers eischen, en die dus al dan niet met ‘slagen-om-den-arm’ gegeven moeten worden.

Uit dit alles kan voortkomen, dat de volksnooden en wenschen niet hun eigen passende formuleering krijgen, maar dat bij de formules der parlements-politiek de passende nooden en verlangens worden afgeleid. Den kiezers moet dan aan het verstand gebracht worden, dat zij juist dit en niet anders wenschen. In elk geval dat dit nu de urgente punten van staatsbeleid zijn. Voor geen enkele partij en voor geen enkelen politicus mag dat soort ‘verkiezingsleiding’, dat terecht demagogie en kiezersbedrog heet, een aangename taak zijn, tenzij begonnen wordt met zichzelf te misleiden of de domheid zoo groot is dat het karakter van die taak niet eens wordt ingezien.

Slechts dan is er geen sprake van een noodlot, dat aan de verkiezingen eigen is, indien de partij kern gezond is, geheel opkomt uit een groot volksbelang, en dat consekwent en krachtig steeds heeft voorgestaan in de volksvertegenwoordiging.

 

Uit: De Beweging, jaargang 9 (1913) van G. Burger die zijn artikel aldus afsluit:

Er is één troost bij de donkere mist-verwachting, dat die n.l. toch altijd gevolgd wordt door een lente. Maar ondertusschen zitten wij in de kou, de nattigheid en het mistroostige donker.

G. Burger.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten