Daarom komt de partij allereerst voor de kiezers om zich te
verdedigen, vrij te pleiten, of goed te praten al wat in de verrichte daden aan
dat publiek niet zal kunnen aanstaan. Verder om zich te beroemen op andere
daden, die dezen of genen kring van belanghebbenden aangenaam geweest moeten
zijn. Dit soort bedelen om kiezersgunsten, dat uitteraard niet prettig is,
wordt echter nog erger door de vooruitzichten en beloften, die het heet dat de
kiezers eischen, en die dus al dan niet met ‘slagen-om-den-arm’ gegeven moeten
worden.
Uit dit alles kan voortkomen, dat de volksnooden en wenschen
niet hun eigen passende formuleering krijgen, maar dat bij de formules der
parlements-politiek de passende nooden en verlangens worden afgeleid. Den
kiezers moet dan aan het verstand gebracht worden, dat zij juist dit en niet
anders wenschen. In elk geval dat dit nu de urgente punten van staatsbeleid
zijn. Voor geen enkele partij en voor geen enkelen politicus mag dat soort
‘verkiezingsleiding’, dat terecht demagogie en kiezersbedrog
heet, een aangename taak zijn, tenzij begonnen wordt met zichzelf te misleiden
of de domheid zoo groot is dat het karakter van die taak niet eens wordt
ingezien.
Slechts dan is er geen sprake van een noodlot, dat aan de
verkiezingen eigen is, indien de partij kern gezond is, geheel opkomt uit een
groot volksbelang, en dat consekwent en krachtig steeds heeft voorgestaan in de
volksvertegenwoordiging.
Uit: De Beweging, jaargang 9 (1913)
van G. Burger die zijn artikel aldus afsluit:
Er is één troost bij de donkere
mist-verwachting, dat die n.l. toch altijd gevolgd wordt door een lente. Maar
ondertusschen zitten wij in de kou, de nattigheid en het mistroostige donker.
G. Burger.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten