vrijdag 31 januari 2014

Wetten en worsten


Mit den Gesetzen ist es wie mit den Würstchen. Es ist besser, wenn man nicht sieht, wie sie gemacht werden.
 
Otto von Bismarck

donderdag 30 januari 2014

Vanwege Gedichtendag

Vandaag een gedicht over vergane glorie en een bijtende kritiek op de pathetische pretenties van potentaten. De vertaling van Hendrik de Vries en het origineel.


Hendrik de Vries
Ozymandias


(naar Shelley)

 

Een zwerver uit een vreemd oud rijk bericht:

 ‘Twee zuilen, beenen zonder tors, verrijzen

 In 't woestland. - Daar ligt ook 't verminkt gezicht,

 Half toegedekt, welks grimlach vol misprijzen,

 Welks heerschersfrons, als van wie koel beveelt,

 Bewijzen: hoe de schampere hoon des houwers

 Die ziel doorzag, die, kundig meegedeeld

 Aan 't zielloos beeld, nog leeft voor schaarsche aanschouwers.

 In 't voetstuk staat: “Ik ben de Heer der Vorsten,

 Ik, Ozymandias. Beziet mijn werken

 En wanhoopt, gij grootmachtigen en sterken.”

 Niets rest hiernevens. Om 't ontzaglijk wrak

 Strekt grenzeloos een oord van eeuwig dorsten

 Mistroostig stuifzand, kaal en vaal en vlak.’
 
 
I met a traveller from an antique land
Who said: Two vast and trunkless legs of stone
Stand in the desert. Near them, on the sand,
Half sunk, a shattered visage lies, whose frown
And wrinkled lip, and sneer of cold command
Tell that its sculptor well those passions read
Which yet survive, stamped on these lifeless things,
The hand that mocked them and the heart that fed.
And on the pedestal these words appear:
“My name is Ozymandias, king of kings:
Look on my works, ye Mighty, and despair!”
Nothing beside remains. Round the decay
Of that colossal wreck, boundless and bare
The lone and level sands stretch far away

 

woensdag 29 januari 2014

Alea jacta? (over de aleatorische vertegenwoordiging)


David van Reybrouck houdt in zijn boek ‘Tegen verkiezingen’ een pleidooi voor het instellen van organen met ‘gelote burgers’ als democratisch instrument. Hij zegt: herintroduceer de loting in de democratie, zoals dat in sommige landen (waaronder België) het geval is bij de rechtspraak in de vorm van een jury waarvoor willekeurige burgers worden gekozen.

Van Reybrouck zag hoe het in België in 2010-2011 bijna onmogelijk bleek een nieuwe regering te vormen. Dat was volgens hem geen typisch Belgisch probleem, maar een algemeen democratisch probleem: de politici zijn tegenwoordig verlamd van angst voor de komende verkiezingen. Er bestaat door alle aandacht van de media (ook de sociale) een permanente kieskoorts; de politici worden haast van dag tot dag geëvalueerd. Er is vaak sprake van regelrechte minachting voor de gekozen politici. Waren er bij de verkiezingen van vroeger slechts beperkte schommelingen (een paar zetels er bij of er af), tegenwoordig zijn we regelmatig getuige van politieke aardverschuivingen (nieuwe partijen die in één keer tien tot twintig zetels halen; bestaande partijen die in zeteltal halveren). De vertrouwenscrisis tussen burgers en ‘de politiek’ leidt tot een stoelendans van bestuurders, en de daarmee verbonden ‘chronische verkiezingskoorts’ en ‘afmattende mediastress’ zorgen ervoor, dat politieke partijen steeds meer moeite hebben met het vinden van werkbare compromissen. In onze zoektocht naar werkbare oplossingen hebben we volgens Van Reybrouck een enorm bord voor onze kop: electoraal fundamentalisme - het geloof dat democratische vertegenwoordiging alleen via verkiezingen tot stand kan komen. En dat is frappant, want ‘de electorale vertegenwoordiging’ werd eeuwenlang beschouwd als het ondemocratische broertje van ‘de aleatorische vertegenwoordiging’ - vertegenwoordiging door middel van loting. Daar waren uiteenlopende denkers als Aristoteles, Montesquieu, Rousseau en Burke het over eens. Verkiezingen, stelt Van Reybrouck, zijn helemaal nooit als democratisch instrument bedacht, maar als middel om een nieuwe aristocratie aan de macht te brengen. Inmiddels wordt de democratie gegijzeld door partijpolitiek, populisten en kortademige media, terwijl het wantrouwen tegen de politiek in alle Europese landen hand over hand toeneemt. Zijn conclusie: een systeem van loting van gewone burgers, ondersteund door nieuwe vormen van sociale media, is een uitgelezen mogelijkheid om het vermolmde stelsel van de representatieve democratie te redden van de ondergang en burgers weer bij de politiek te betrekken. Hij pleit voor een systeem waarin ‘gewone burgers via loting worden aangewezen om, gesalarieerd en voor een beperkte periode, rechtstreeks te beslissen over het aannemen van wetgeving’. Verkiezingen zijn een te versleten instrument, zegt Van Reybrouck. ‘We reizen toch ook niet meer per trekschuit of montgolfière? Loten is beter dan verkiezingen.’

Van Reybrouck: “Ik geloof dat de dramatische systeemcrisis van de democratie verholpen kan worden door loting een nieuwe kans te geven. Het gebruik van het lot is geen wondermiddel, geen perfect recept, net zomin als verkiezingen dat ooit waren, maar het kan wel een aantal euvels van het huidige systeem verhelpen. Loting is niet irrationeel, het is arationeel: een bewust neutrale procedure waarmee politieke kansen rechtvaardig verdeeld worden en onmin wordt vermeden. Het risico op corruptie wordt kleiner, de verkiezingskoorts zakt, de aandacht voor het gemene goed neemt toe. Gelote burgers hebben misschien niet de expertise van beroepspolitici, maar ze hebben iets anders: vrijheid. Ze hoeven immers niet gekozen of herkozen te worden.” Hij pleit voor het ontwikkelen van een bi-representatief stelsel: ‘een volksvertegenwoordiging die zowel door stemming als door loting tot stand wordt gebracht. Beide hebben immers hun kwaliteiten: de deskundigheid van beroepspolitici en de vrijheid van burgers die niet herkozen hoeven te worden.’ In Ierland en IJsland wordt al geëxperimenteerd met het betrekken van gelote burgers bij politieke besluiten.

dinsdag 28 januari 2014

Toch zo slecht niet, democratie



"Organize government so that long and necessary conversations between the various parties reveal the weaknesses of any grand plan, and you create a political body that proceeds less because a course of action is good than because the alternatives are worse. The politics of compromise are never grand. They are, however, durable."


Joshua Mitchell, Tocqueville in Arabia. Dilemma's in a Democratic Age, University of Chicago Press, Chicago 2013.

maandag 27 januari 2014

Maar op een keer dan ben je aan je laatste beetje toe


Politiek is handjes drukken,
dreigen, sjoemelen en bukken,
katten uit de bomen kijken,
overreden, over-lijken,
schipperen of schaakmat zetten,
lange speeches, korte metten,
witte voetjes, pan uit vegen,
passen, meten, wikken, wegen,
lachjes, dansjes, Judas-kusjes,
loeren draaien, dooie musjes,
veel beloven, vleien, paaien,
de kunst om om iets heen te draaien,
d'r is geen liefde, regelrecht,
en daar is alles mee gezegd.

 

Toon Hermans

zondag 26 januari 2014

zaterdag 25 januari 2014

Kunst?


Die Politik ist keine Wissenschaft, wie viele der Herren Professoren sich einbilden, sondern eine Kunst.
 
Otto von Bismarck

vrijdag 24 januari 2014

Eerlang plakken we de posters weer op de borden


Hans-Peter Kraus

 

Kandidatenplakate

Da haben die Parteien
Dem Volke!
aber mal wieder ganz genau
aufs Maul geschaut.

Jemand hätte ihnen erklären sollen,
dass es nicht so gemeint ist,
wenn die Leute sagen:
Am besten
man hängt alle Politiker
an den Straßenlaternen auf.

 

donderdag 23 januari 2014

Het spel is op de wagen


Een echt wel héél belangrijke avond

(de gladiatoren betreden het strijdperk)

 

Onze burgemeester deed op woensdagavond 22 januari 2014 in het cc Jan van Besouw de aftrap van de (officiële) start van de verkiezingscampagne die zal eindigen op 19 maart, de dag van de waarheid. Zij heette de aanwezigen van harte welkom en sprak van een ‘heel belangrijke avond’. Dat herhaalde ze in de loop van haar korte speech een keer of vier. Ook vond ze het belangrijk dat iedereen ging stemmen. Kortom, haar bijdrage is samen te vatten in één woord: belangrijk. Tussen al dat gewichtigs raapte ik voor u een paar wetenswaardigheden op: er zijn in totaal 18.300 stemmen te winnen, en alle zeven partijen zijn er (volgens de kenners, dixit Machteld) in geslaagd om een kwalitatief goede kandidatenlijst samen te stellen. Machteld sprak de hoop uit, dat de patijen een nette campagne zullen voeren: wel duidelijkheid geven, maar niet op de man spelen.

 

Toen was het woord aan Bert van de LRG, de partij die met zorg aan de slag wil. Bert legde de nadruk op ‘laagdrempelige politiek’. Na hem was het de beurt aan Willem van Lijst Couwenberg. Willem had zitten tellen: er waren op deze avond 128 mensen aanwezig. Wilde hij hiermede bewijzen, dat hij heus wel tot tien kan tellen? Hij had meer cijfers: hij zit al 28 jaren in de raad. Zijn program is kort en helder: beheer van groen en wegen. En daar is Deborah, die ook iets met cijfers heeft (51 jaar, 33 daarvan in Goirle, 100 % sociaal). Goede presentatie, met een aardig voorstel (bij niet uitverkochte uitvoeringen in het cc JvB gratis kaartjes voor de armen). Het meest opvallende woord van Deborah was ‘menswaardigheid’. Toen trad Sjaak van het CDA naar voren, want de leus is: samen vooruit voor Goirle en Riel. Kern van zijn verhaal: zorgzaamheid.

 

Na de pauze stapte Johan van de VVD het podium op. Hij begon allerlei mensen te bedanken en uitvoerig voor te stellen, en dat was geen sterk nummer, want toen hij over zijn program wilde beginnen, was hij al in grote tijdnood. Ik noteerde tweemaal de uitspraak: de VVD wil dat graag zo houden. De volgende lijsttrekker, Mark van het PAG, deed een bekentenis: hij ligt soms wel eens wakker en telt dan geen schaapjes, maar duurzame plannetjes voor Goirle. Hij was erg te spreken over de PAG-lijst, die bijkans overloopt van deskundigheid en ‘bevlogenheid’. Als laatste was het woord aan Guus van de PvdA. Guus gaat de nadruk leggen op het verschil tussen een landelijke partij als de PvdA en een lokale partij als LRG. Het vermoeden bestaat, dat die vergelijking in het voordeel van de landelijke partij zal uitvallen.

 

Zó was de start: belangrijk, laagdrempelig, beheerlijk, menswaardig, zorgzaam, behoudend, bevlogen en vergelijkend. We weten weer iets meer over onze politici. Voor mij de winnares van de avond: Deborah (ballet gedaan en Dansacademie, maar ook - pas op De Vries - judo!). Beste bon mot van de avond: de uitstekende presentator Paul die aan Willem vroeg waarom hij al zo lang politiek actief is. ‘Dat zit in de genen’, antwoordde Willem, waarop Paul concludeerde: “O, het is dus een aandoening”.

Toen ik thuis kwam en mijn gemalin vroeg hoe ze het gevonden had (ze zou naar de LOG-registratie kijken), antwoordde ze met een hartgrondig: “Bagger!!” De uitzending van de bijeenkomst was namelijk ongenietbaar vanwege de meer dan bedroevende geluidskwaliteit; grote delen van de tijd was het geluid zelfs helemaal weggevallen. We moeten daarom vrezen, dat de start van de verkiezingscampagne aan heel Goirle en Riel voorbij is gegaan, op 128 mensen na.

 

Zoïlus Zeepzieder

woensdag 22 januari 2014

Standpunt


De raison d’être van het raadslid

 

De bestaansgrond dus (want je moet alles uitleggen; in december schreef ik voor het Goirles Belang een hoofdartikel over Kerstmis en daarin kwamen een aantal Engelse en Franse aanhalingen voor, zulks tot ergernis van iemand die mij daarover aansprak: hoe ik het in mijn hoofd haalde om “in een huis-aan-huisblad (!!) vreemde talen te bezigen”; helemaal erg is natuurlijk het gebruik van een paar woordjes Latijn: dat wekt in sommige kringen regelrechte woede op; in deze weblog staat tot dusver één Latijns citaatje, en jawel hoor, dat wordt me door een plaatsgenoot onmiddellijk voor de voeten geworpen), de bestaansgrond van een raadslid is niet ‘denken’, maar ‘een standpunt hebben’. Hij/zij zegt: ik heb een standpunt, dus ik besta. (dit verwijst naar de filosoof Descartes die noteerde: cogito ergo sum, ik denk dus ik besta) Enfin, lees de volgende twee gedichtjes van Rotterdammer Jules Deelder, uit zijn recente bundel Het graf van Descartes:

 


Het graf van Descartes (9)

Ik sta dus ik ben
zegt in ’t Hollands
meer over wezen en

zijn dan Descartes
ooit bedenken kon
in het Latijn

Ik staat zou zelfs
nog beter zijn



Het graf van Descartes (10)

Ik staat dus ik ben
dus in plaats van
ik denkt

Zonder standpunt
ben je nergens

Op een beweeglijk
standpunt sta je
het sterkst

De beweging is on-
veranderlijk

 

dinsdag 21 januari 2014

Toen liet de heer Hompelaar de gordijnen neer


Raadsleden, je hebt ze in soorten en maten. Van ‘de man van het volk’ tot de kamergeleerde. Zie hem daar zitten, in zijn pose van ‘de denker’. Speciaal voor hem een Falklandje van Heijermans, uit 1906. Titel: Gemeenteraads-verkiezing. Hoofdpersoon is de heer Hompelaar: Hij “had z'n schaapjes op 't droge - sinds kort. Twee jaar woonde-ie in de provincieplaats, 'n lief huis, 'n lieven tuin, 'n lieven moestuin, 'n lieve stalling voor paard en rijtuig.” In die stal hield hij een geit en vier konijnen, want “met een paard krijg je ongelukken en belasting”; bovendien was mevrouw er tegen. De trots van Hompelaar was zijn bibliotheek: “De voorkamer benee, geleek op de werkkamer van een geleerde - alleen wat tè netjes. Thans waren alle wanden der kamer met stellages betimmerd, net-geschilderde zwarte planken met groen laken en koperen pinnetjes. Te midden dezer eenigszins opzichtige geleerdheid stond een zware tafel met papieren, brochures, paperassen, plaatwerken. Er naast een massief bureau, beleid met geleerdhedens en met eene volledige Encyclopedie. Vóór het raam had je eene herhaling: 'n tafel met slòrdig-verspreide boeken, portefeuilles.” Dan krijgt hij het verzoek of hij zich kandidaat wil stellen voor de gemeenteraad. Morgen komt de kiesvereniging bij hem op bezoek.

 

 

Zaligjes glansden de grijs-grauwe oogjes des heeren Hompelaar. Hij maakte zich geenerlei illusies over bokkesprongen van Gemeenteraad over Provinciale Staten naar Tweede kamer - maar de enkle klank van 't woord Edel-Achtbaar dreef stroomen blijde beminlijkheid en gelukzaligheid naar z'n gebogen hoofd in deze zijne studeerkamer.

De passeerende menschen buiten, keken respectvol. Te allen tijde is het een nobel verschijnsel, wanneer ge een auteur, een geleerde, een alchimist, een gemeenteraadslid, een philosoof in de studie-cel bezig ziet.

 

Doch - plotsling ontdaan, òpsprong de heer Hompelaar. In oude romans zouden ze zeggen: een àdder had hem gestoken. In dit eenvoudig reciet kan ik dermate overdreven beelden achterwege laten - de heer Hompelaar dàcht aan de woorden van Stips, de houding van Stips. Morgen kreeg je het hééle Bestuur èn den notaris, die zoo graag met de boekerij wou kennis maken. Stips had telkens onopengesneden boeken te pakken gekregen - als de notaris óók.... Je kon niet de risée van die menschen worden. En ze in een àndre kamer ontvangen - ging niet. De studeerkamer van een gemeenteraadslid-in-spe was de áángewezen plaats. Wat dan? De roep van kennis had Stips gezegd. - Als de notaris èn de dokter èn Stips voor of na de conferentie aan 't snuffelen raakten en allemaal ónopengesneden boeken.... De heer Hompelaar huiverde lichtlijk. 'n Publiek man loopt spoedig in de kijkers. Van een schaduw maken ze een wolk....

Opgewonden doorwandelde hij de studeercel, van de eene overvolle kast naar de andre òvervolle, van Spencer, ingenaaid, naar Goethe, gebonden, van Motley, gebonden, naar Vondel (gelegenheidskoopje) ingenaaid....

 

Toen liet de heer Hompelaar de gordijnen neer, nam een vouwbeen, begon Vondel open te snijden, daarna Spencer, toen Multatuli, toen Nietsche. Om negen uur sneed-ie 't eerste vel open, om twaalf toen mevrouw 'm kwam waarschuwen dat 't láát was, snauwde-die haar af. Hij had te wèrken, hàrd te werken voor de aanstaande verkiezing....

Eerst tegen vier uur ging-ie naar bed, de armspieren trillend, de handen als verlamd.

maandag 20 januari 2014

Beeldspraak


Zeer bekend is de stelling van Von Clausewitz : “Oorlog is de voortzetting van politiek met andere middelen”. Dat kun je ook omdraaien: politiek is (de voortzetting van) oorlog, met andere middelen. Een denkbeeld dat in strijdende bewegingen nogal eens te beluisteren of lezen valt. Neem bijvoorbeeld de heer H.P.G Quack die in zijn ‘De socialisten: Personen en stelsels’ (1912) over Ferdinand Lasalle schrijft, en daarbij de beeldspraak bezigt van ‘de bajonet van het stembriefje’. Let trouwens ook op het sombere lied der branding van de arbeiderszee.

 

Het portret van Lassalle daarentegen éclateert. Het schittert ons tegen. Zijn blik doorboort: zijn stalen oogen kijken brutaal doordringend den toeschouwer aan, en laten niet los, zelfs als men soms gehinderd wordt door het opzichtige, het tooneelmatige van den stand der figuur. Daar is allerlei onzuivers en ijdels in die trekken. Het beeld poseert altijd-door. Maar de genialiteit van den man domineert. Denk er slechts aan, dat hij in twee jaren tijds geheel de rustig slapende arbeiders-wereld van Duitschland in volle beroering van hartstocht heeft weten te brengen. Het sombere lied der branding bruiste op in de klotsing der golven van de arbeiders-zee, toen hij zijn woord had doen hooren. Wat een enkel individu in een korte spanne tijds nog in onze moderne tijden door te spreken vermag, heeft hij in zijn propaganda getoond. Hij was vóór alles politicus. Toen zijn sociaal idee hem scherp belijnd voor oogen stond, poogde hij het eerst nog te bereiken door de democratie van zijn dagen te bekeeren. Die burgerlijke democratie wilde echter niets van hem weten. Daarop sloeg hij den weg in, om, afgescheiden van allen, de arbeiders op eigen beenen te zetten. Toch bleef hij ook hier op practisch terrein, in zooverre als hij zijn plannen beperkte tot wat op 't oogenblik te verkrijgen was. Hij was een man der tactiek. Voorshands wilde hij ieder arbeider voorzien van de bajonet van het stembriefje. Zij konden dan zelven den ‘Staat’ veroveren, uit naam van den Staat spreken, en zich-zelven, in hun vereenigingen, Staats-hulp verschaffen.

zondag 19 januari 2014

Mee buizen an zijn gat!


In de tweede jaargang van Groot Nederland (1904) verschijnt een uitvoerig verhaal van Cyriel Buysse, getiteld: ’n Dorpje. Typen, beelden en herinneringen. Is het zijn geboortedorp Nevele? Waarschijnlijk. De schrijver schetst een beeld van de verkiezingsstrijd en de manier waarop de overwinning wordt gevierd. Als we hem op zijn woord mogen geloven, ging het er in het Vlaanderen van het einde van de negentiende eeuw na de bekendmaking van de uitslag bijzonder levendig aan toe. Zie ook het merkwaardige gewoonte om de verliezers te jennen. In een verklarende noot merkt de schrijver op: Een landelijk Vlaamsch gebruik. Uit hoon en smaad worden, na de verkiezing, buizen (oude kachelpijpen) voorbij de woningen der overwonnen candidaten heen en weer gesleept.

Zoiets zie ik in Goirle  niet gauw gebeuren. Ik denk ook niet, dat ik mijn glasverzekering moet verhogen. Op 19 maart is er enkel een bijeenkomst in het Jan van Besouw, tijdens welke door kandidaten en hun (kleine) aanhang vrolijk dan wel treurig wordt gekeken; men feliciteert of troost elkaar en daarna gaat ieder weer zijns weegs. Maar die Vlamingen… Ik moest denken aan de woorden van Lodewijk van Deyssel: “Ik ben de vriend der Vlamingen, periode 1830-1885, niet. Ju, ju, wat een grof volkje.”

Maar laten we nu liever Cyriel aan het woord:

 

De Liberalen hebben in geval van overwinning aan het volk beloofd:

Zes tonnen bier, een vaatje jenever, en vier groote, schoone hespen.

De Katholieken hebben in geval van overwinning aan het volk beloofd:

Acht tonnen bier, een vat jenever, en een varken in zijn geheel.

 

De stemming is afgeloopen. In drukke, krioelende menigte staat het volk, midden op de straat, vlak vóór het gemeentehuis, den uitslag af te wachten.

Men weet nog niets, maar er loopen verwarde geruchten. Nu eens zijn het de katholieken die 't zullen winnen, dan weer de liberalen. Boven, achter de helle ramen der eerste verdieping, verschijnen af en toe gezichten. Zij kijken naar het volk, beneden in de straat. Sommige hebben een spotachtige uitdrukking, andere een ernstige. Gebaren, waarvan men niet duidelijk de beteekenis kan vatten, worden af en toe gemaakt, schouders worden opgehaald, open handen, met van elkaar gesperde vingers, als getallen, tegen de vensters gedrukt, terwijl monden, met overdreven bewegingen der lippen, woorden uitspreken, die men daar beneden in 't geraas toch niet begrijpen kan. Men begrijpt eigenlijk niets, alles is verward en twijfelachtig, en niemand meer mag boven komen: twee gendarmen houden op de stoep de wacht, en versperren allen toegang tot 't gemeentehuis.

(…)

Daar barst het plotseling uit! Een wild gejuich, dat de ruiten doet rinkelen, een wild gezwaai van armen en hoeden, en eensklaps twee, drie ramen open, in daverend geschreeuw en hoera-kreten:

- Vivat de katholieken! Wig mee de liberoalen!

Een groot deel van het volk beneden stuift gillend uit elkaar, woest rennend door de straten. Anderen hoezeeën tegen, nog anderen druipen in haastige stilte af. De vlag op het gemeentehuis wordt uitgehangen, donderend komen enkele mannen van de trappen gehold, duiven worden klappervleugelend opgelaten. De katholieke partij, die aan 't bewind was, triomfeert, de vijanden zijn verslagen, de dorpsmuziek wordt bij elkaar getrommeld, op den kerktoren beginnen de feestklokken te luiden.

't Gepeupel jubelt luid zijn pret en tevredenheid uit. Acht tonnen bier! een vat jenever! en een geheel varken! Waar zijn die tonnen? Waar is dat vat? Men wil er dadelijk van drinken. En waar is ook het varken? Men wil het zien! Men wil het oogenblikkelijk hebben.

(…)

Een aantal mannen, en ook enkele vrouwen en kinderen loopen terstond van de biertonnen weg en dringen naar 't jenevervat. Een kraan er in, en spoedig geeft het ook zijn inhoud. Helder als water, een doordringend-sterken geur verspreidend, vult het dronkesap de kleinere glaasjes. En als water slaan de mannen het naar binnen, in één teug, zonder te slikken. De vrouwen beginnen schril te kwebbelen, een tiental kinderen, reeds stomdronken, zwenken waggelend en gil-lachend over de plaats.

- Ons virken nou! Ons virken! De meesten, beu gedronken, eischen nu ook 't beloofde varken. Ze weten wel niet wat zij er mee zullen doen, maar zij eischen het toch, omdat het hun beloofd is.

- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Ons virken! Ons virken!

't Beloofde zwijntje staat al vast klaar op de binnenplaats van een herberg. Op bevel van den veldwachter wordt het naar buiten gehaald.

Het is een mooi zwijntje, van middelmatige grootte, heel en al teer-rozekleurig, met een kort, scheef-krullend staartje en één enkele grauwe vlek op 't linkeroor. Een woest gejuich begroet zijn knorrend optreden, en honderden komen er brullend omheen zwieren en draaien, hand en hand, hossend en springend, in een wilden rondedans.

- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Vivat ons virken! Vivat ons virken!

- Kom, we goan d'r mee deur 't dorp! gilt een stem.

- Mee buizen an zijn gat! roept een tweede.

- Joa joa, mee buizen, nondedzju! Wie hèt er buizen? schreeuwen honderden.

- En mee 'n kiesbriefken op zijne rugge!

- Joa, nondedzju! mee 'n kiesbriefken op zijne rugge.

Een stuk oude, half verroeste kachelpijp wordt gehaald, en met een sterke touw aan een der achterpooten van het zwijntje vastgebonden. Op zijn rug wordt een kiesbriefje geplakt. Het zwijntje knort en snuffelt.

- Vooruit.

In reusachtig joelen en gelach verlaat een kolossale stoet de dorpplaats, en dringt in de straten door. Aan 't hoofd loopt het knorrend, tegenstribbelend zwijntje, door een man aan een touw voortgetrokken, met den witten kiesbrief op den rug en de ratelende kachelpijp na-hobbelend en sleepend over de straatkeien. 't Gepeupel volgt, brullend en waggelend, afschuwelijk dronken reeds, schreeuwbrabbelend met wijd-open kelen en uitpuilende oogen: ‘Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen!’ De heele bevolking ziet toe, schaterlachend geschaard langs de huizen.

Vóór het huis van den notaris, een der candidaten der ‘gebuisde’ liberale lijst, wordt even halt gehouden Het zwijntje wordt naar voren geduwd, en heel de bende buldert los in oorverdoovend gejouw, gefluit, hoehoe-geroep en nabootsing van dierenkreten. Een stok vliegt in de bovenruiten van het doodstil, toegeblinde huis; een kei, groot als een kinderhoofd, beukt aan op de gesloten deur. Verwilderd-knorrend springt het zwijn op zij en smakt zijn leidsman op den grond, terwijl de kachelpijp ratelend heen en weer bonst en hobbelt. Onder scherp-schaterend gegil wordt het weer vastgegrepen, en verder zwenkt en lawaait de dronken bende er het dorp mee in.

zaterdag 18 januari 2014

Fatjes met een scheiding midden over 't hoofd


Een wijze les: ken de kiezers en weet hoe ze aan te spreken. De liberalen hadden het in de negentiende eeuw nog niet helemaal door. Aan de andere kant: is er überhaupt wel eer te behalen als (bijna) gans het volk confessioneel stemt en eigenlijk alleen belangstelling heeft voor ‘afgetrokkenheden van leerstelligen aard’. En trouwens, is het nu zoveel beter? Bijna gans het volk heeft veel meer belangstelling voor ‘brood en spelen’ dan voor de dagelijkse politiek. Enfin, lees en geniet!

 

Zal eens de historieschrijver boeken: ‘Het binnenland van Afrika ging voor den wereldhandel open; die zijn vlag het verst droeg in het groote werelddeel was - Nederland.’ Dan zouden er veel minder advocaatjes en griffiertjes en substituutgriffiertjes en commiezen in de Nederlanden slenteren, maar honderden het zeegat uitmoeten; veel minder fatjes met een scheiding midden over 't hoofd en poneyhaar, maar velen met gebruinde aangezichten loopen; dan zou de politiek... Halt! Daar zit ik midden in den mist. Politiek? Welke! Onze Tweede Kamer wordt een cathechiseerkamer. Het twisten van modernen en rechtzinnigen, dat ophield in de kerk, hernieuwt zich op het Binnenhof, in 's lands vergaderzaal. De kerkelijke mist hult 't politieke leven in een dikken, taaien mist, die naar den wierook riekt van Rome en naar de muffe lucht van Dordsche perkamenten. Nu de verkiezingskoorts voorbij is, moet ik 't zeggen: zelfs de opgewektheid en de hitte van dien strijd had iets bedroevends. 't Schijnt of 't volk slechts wakker wordt als 't tegen of voor de dominés gaat. 't Maakt zich bij voorkeur en uitsluitend warm om afgetrokkenheden van leerstelligen aard, zij 't in ontkennenden, zij 't in bevestigenden zin. De liberalen zijn er onder, ja, maar wat waren de liberalen, wat werden zij steeds meer en meer? Een richting, die in kamerclubs en in de kiesvereenigingen zich terugtrok; de zaak van een fatsoenlijk deel des volks, niet van een volk; een stelsel, riekend naar de lamp, geen drijfkracht, die ten harte uitging in de harten. De liberalen stonden als een fractie op zich zelf, maar voeling met de menigte, met het groote volk, waar was die? De kerk liet men uit de handen slippen; van de kerkelijke stembus bleef men weg; alleen staan liet men die, 't gevaar voorziende, daar ter plaatse rechten invloed wilden handhaven en bewaren. Maar Dr. Kuyper kende des te beter het volk. Hij wist wat er omgaat bij de duizenden, die op het platte land en in de dorpen, in de achterstraten van de steden, in de boerenwoningen en stulpen zitten. Hij wist hoe heel dat volk gewaar wordt, denkt, waar zij zijn aan te pakken, waarmede op te winden. Hij zag den ouden bijbel in hun handen, geel gekleurde bladen, beduimeld vaak en omgekruld, en de oude stijve letters en de oude prenten en de oude taal, het ‘Heere’ dat hun lief is. Die lieden hebben geen aesthetische genietingen, geen spannende romans van Franschen snit, geen Darwinistische hypothesen, geen physica en andere tot hun dienst. Zij hebben slechts hun bijbel.

 

Willem Hendrik de Beaufort “Mist. Alleenspraak van een Provinciaal”, De Gids, 1885

vrijdag 17 januari 2014

Het was een eeuw geleden kennelijk dus niet veel beter


De politiek staat in een kwade reuk. Eigenschappen, die vereischt worden om politieke overwinningen te behalen zijn niet hoog geteld. Demagogie klinkt als leugen en bedrog, toegepast nog wel op de hoogste landsbelangen. Hoe veel duidelijker komt dat aan 't licht, indien de verkiezingen hun invloed doen gevoelen. Dan nadert de tijd, die lenigheid en handigheid vraagt om voor partij-frasen en partij-leuzen een schoone schijn te veroveren, tevens om de tegenstanders, partij en personen, zoo zwart mogelijk te maken. Die tijd is thans voor ons land weer nabij.

 

G. Burger in De Beweging (Algemeen Maandschrift voor Letteren, Kunst, Wetenschap en Staatkunde, 1912)

donderdag 16 januari 2014

Olipodrigo


Grotendeels, want er staat ook een gedachte in het artikel van Berry van ’t Westeinde die nadrukkelijk verworpen dient te worden.

Berry noteert dat de gemeenteraad een volksvertegenwoordiging is. Oké. Dan vervolgt hij: “Naar mijn mening is het juist goed dat niet alleen hooggeleerde notabelen uit de gemeente het gemeentebestuur vormen. Het is belangrijk dat ook mensen met minder opleiding of werkervaring in de raad zitten. Mensen die bijvoorbeeld weten wat het is om een minimumloon te verdienen of om jong en student te zijn.” Deze gedachte nu is onzinnig en dient met kracht te worden bestreden. De ideale raad in de lijn van Berry’s gedachte is een - ik ben blij weer eens een buitenissig woord te kunnen gebruiken - ‘olipodrigo’ (van het Spaanse olla podrida: eene spijs, bestaande uit fijngesneden en sterk gekruid vleesch van verschillende soort; in ’t algemeen een allerlei, een mengelmoes, een poespas), kortom een ratjetoe, een hutspot, een allegaartje: er moet een gehandicapte in, want die weet hoe het is om, gezeten in een rolstoel, door het leven te moeten laveren; er moet een allochtoon in; er moet een hoogbejaarde in; er moet een student in; er moet onderwijzer in; er moet een neger in; er moet een winkelier in; er moet een homo in; er moet een vrouw in; er moet een man in; er moet een geestelijke in; er moet een boer in; er moet, er moet…. ad infinitum (et absurdum).

Waarom, Berry, moet er iemand met een minimumloon en/of een student in?  Kan er dan niet beter een ouder iemand in, die jong is geweest, gestudeerd heeft (met een kleine beurs), die werkloos is geweest, op bijstandsniveau heeft geleefd, en die bovendien op zijn levensweg enige levenservaring heeft opgedaan?

Overigens vraag ik mij af of Berry bij de zinsnede over ‘hooggeleerde notabelen’ aan Goirle heeft gedacht. Dat kan ik me eigenlijk niet voorstellen.

Tegengestelde meningen


Een opinie van ‘onzen Berry’, onze raadsgriffier. In de krant! Onder de kop: “Raadsleden kunnen het wél”, een kop die doet vermoeden, dat er dezulken zijn die menen dat de raadsleden er niet toe in staat zijn. Nou, Berry denkt, dat ’t wel meevalt. In onze gemeente in ieder geval, want “ik heb het idee dat de partijen er in Goirle weer in zijn geslaagd om talent aan zich te binden” (Berry zal daarbij toch niet hebben gedacht aan die man met zijn witte bril uit Riel? Immers, die heeft het omgedraaid: witbril heeft de LRG gekaapt en aan zich gebonden). Enfin, Berry reageert in zijn artikel op berichten, dat het raadswerk steeds zwaarder wordt (het werk kost het raadslid gemiddeld nu al zo’n 17 uur per week!), vooral door de nieuwe gemeentelijke taken op het gebeid van zorg, jeugd en werk. De Drie Transities, brrrr. De raadsleden zullen, aldus Berry, keihard moeten werken, maar met de nodige ondersteuning, training en inzet zal het wel lukken: ze kunnen het! De zaken eenvoudig houden, voeling houden met wat er leeft in de samenleving, ja, zó kunnen de raden de uitdagingen wel de baas worden. Een optimistische visie dus.

Bijna ter zelfder tijd verscheen in een ander krant een heel wat somberder verhaal: “Gemeenteraad papieren tijger”. Strekking: door de drie transities wordt de lokale democratie uitgehold, omdat de uitvoering van de nieuwe taken vooral op regionaal niveau zal plaatsvinden, zonder dat daar democratische controle op mogelijk is. Dat is althans de mening van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden die vreest, dat de gemeenteraad straks verwordt tot een ‘jaknikapparaat’ voor afspraken die wethouders op regionaal niveau met elkaar maken. Die wethouders zijn straks een soort vijfde bestuurslaag (naast rijk, provincie, gemeente en waterschap), zonder de bijbehorende democratische controle.

 

Ik deel de opinie van Berry, grotendeels.

woensdag 15 januari 2014

Duim en wijsvinger


Franz Grillparzer (1791-1872)

In Politik...

In Politik zwei wichtge kleine Dinger
Sind Daumen eben und Zeigefinger,
Sie halten die Feder,
Das weiß ein jeder.
Doch Wichtgres noch wird oft durch sie betrieben,
Wenn sie sich übereinander schieben.

dinsdag 14 januari 2014

Door het oog van de naald


'Dank u,' zei Pa Pinkelman, 'en hoe is het met de verkiezingen afgelopen?'
'Prachtig,' antwoordde de menigte, 'alle partijen hebben welvaart beloofd.'
'Mooi,' zei Pa Pinkelman, 'dan zal 't wel in orde komen.'
'Een pak van mijn hart,' zei Tante Pollewop,
'ik heb onderweg zo in angst gezeten dat ze armoede zouden beloven.
Heeft werkelijk geen enkele partij gezegd dat ze voor ellende en werkloosheid was?'
'Geen één,' antwoordde de hoofdredacteur van de Volkskrant,
zich haastig naar voren worstelend,
'we zijn door 't oog van een naald gekropen.'
(Godfried Bomans, werken III, blz. 146/147, De avonturen van Pa Pinkelman)

maandag 13 januari 2014

Een taart met honderd kaarsjes

Feest, het woord bestaat nu een eeuw. Het verschijnsel zelf is al veel ouder.
Stoett leert ons:

Struisvogelpolitiek (of -tactiek),


een politiek, waarbij men willens en wetens blind is voor bestaande bezwaren en moeilijkheden; doet alsof de gevaren niet bestaan door er de oogen voor te sluiten. Men beweert dat de uitdr. is ontleend aan het geloof dat struisvogels, wanneer ze vervolgd worden, den kop in het zand steken, in de meening dat anderen hen dan niet zienDit geloof komt o.a. voor bij Maerlant. Nat. Bl. III, 3346: So dul es hi, als in der haghen sijn hovet wel bedect es iet, dan waent hi datmenne niet en siet. Anderen ontkennen deze gewoonte en zoeken den oorsprong in Job. XXXIX, vs. 20.. Vgl. De Arbeid, 9 Januari 1915, p. 2 k. 4: De voornaamste eisch is dat wij nooit den kop in het zand steken om blind te zijn voor de werkelijkheid en ons door geen frases er van te laten afhouden om alle verschijnselen te bespreken; Handelsblad, 25 Febr. 1915 (ochtendbl.), p. 1 k. 4: Menschen die zich zoo ziek-weeïg afkeerig van den (oorlogs)toestand voelen, dat zij de bekende struisvogeltactiek navolgen; ze vertoonen zich niet buitens huis, houden deuren en vensters gesloten, slapen zooveel mogelijk; Gron. 261: Hoe méér 'n meisje van 't leven weet, hoe béter 't voor d'r is, je hoort alles te weten; ik vin die struisvogelpolitiek gewoon belachelik; Nw. School, VII, 114: Is dat fatsoenlijk, zoo'n doodzwijgerij. Dood is mogelijk wat kras uitgedrukt. Maar struisvogel-negeerderij is het toch zeker; Het Volk, 13 Juli 1914, p. 6 k. 1: Maar laten de vrijzinnigen hun kop maar in het zand steken. Van die struisvogeltaktiek zullen zij de kwade gevolgen spoedig genoeg ervaren; vgl. fr. une politique d'autruche; hd. ein Strauszenpolitik; eng. an ostrich policy.

Advertentie


In de Nieuwe Tilburgsche Courant van 4 juli 1897 lezen we het volgende bericht:

CORRESPONDENTIE

X. te Goirle – Aanbevelingen van candidaten bij verkiezingen moeten als advertentiën worden geplaatst en niet als nieuwsberichten.

 

Opvallend in die oude kranten: zelden wordt een ingezonden brief  met naam en toenaam ondertekend.

zondag 12 januari 2014

Norbert de Fries, onverslaanbaar

Friesche paarden, zijn er mooiere? En de allermooiste, de allerbeste is Norbert 444. Voor de derde keer op rij de kampioen. Kandidaat 4 was in zijn nopjes toen hij dit gisteren in de krant las. Hij herkende veel in de beschrijving. Toonbeeld van elegantie, uitdrukkingsvol hoofd, opwaarts gebouwd, ijzersterke beweging. Alleen dat dekgeld... had mij maar gebeld, ik doe het voor een Hartevelt.

Norbert 444

Norbert is een luxe hengst met veel rastype. Hij heeft een uitdrukkingsvol hoofd en een lange mooi gevormde hals. Norbert heeft jeugd, is opwaarts gebouwd en staat goed in het rechthoeksmodel.

Norbert heeft een zeer sterke, predikaatrijke afstamming: de moeder van Norbert, Amalia-Annie (Model, Preferent) was in 1996 kampioen van de Centrale Keuring, en in 1997 reserve kampioen. Amalia-Annie heeft een IBOP van 88A gelopen.

Norbert is met succes uitgebracht in de tuigsport, hij werd in 2010 overtuigend winnaar van de competitie Regio Zuid. Norbert heeft alle competitie wedstrijden en de finale winnend afgesloten.

Tijdens de HK 2010 schreef Norbert het algemeen res. Kampioenschap op zijn naam. Op de HK 2012 verbeterde hij zichzelf. Norbert maakte hier zeer veel indruk, hij werd op grandioze wijze algemeen Kampioen! Tijdens de HK 2013 bleek Norbert nog altijd onverslaanbaar, hij werd wederom kampioen jonge hengsten en algemeen kampioen! Norbert is het toonbeeld van elegantie gecombineerd met ijzersterke beweging.

Norbert is Z dressuur + wnsp. Dekgeld: € 950,- excl. 

 

zaterdag 11 januari 2014

Schandelijke slemppartijen, ook in Goirle

In juli 1912 brachten de Goirlese drankbestrijders een manifest uit, dat ook in de krant verscheen. Uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 31 juli 1912 nemen wij de tekst over.

Ingezetenen van Goirle!

 

De jongstleden verkiezing van een lid van den Gemeenteraad ligt U nog versch in het geheugen. De herinnering daaraan is niet van aangenamen aard. De walgelijke toneelen, waarvan gij getuigen waart, brachten den verkiezingsstrijd op een ongekend laag peil. Alle weldenkenden veroordeelen deze onedel gevoerde stembus-actie. Na rijpe overweging achten wij nog een krachtig protest tijdig en plichtmatig.

I.                    Wij protesteeren tegen de lafhartige bespotting van de Goirlesche drankweer.

II.                 Wij protesteeren tegen de ongeoorloofde beïnvloeding der keizers door middel van den drank.

 

  1. Op het beruchte reclamebord en in de verspreide circulaires trachtte men de drankbestrijders belachelijk te maken. De spot is een goedkoop, doch gevaarlijk wapen. Het vertroebelt de beginselen, en ontmoedigt den tegenstander. Onze strijd tegen het alcoholisme is een edele kamp tegen de stoffelijke en zedelijke inzinking van individu, huisgezin en maatschappij. Zonder overdrijving mogen wij constateeren, dat onze Drankweer ter plaatse veel goeds heeft tot stand gebracht. Een groote wijziging bracht ze in de heerschende drink-ideeën en -gewoonten. Iedere onbevooroordeelde moet dit getuigen. De motieven en de middelen in onzen strijd zijn edel. De beweegreden van de Drankbestrijding is de naastenliefde, die wij beoefenen door het voorbeeld. Het voorbeeld der onthouding van alcoholische of sterke dranken is ook voor ons een offer van zelfverloochening, vrijwillig gebracht op het altaar der christelijke charitas. Ons streven, zoo edel, dient derhalve gesteund. Daadwerkelijk of zedelijk. (…)
  2. Wij protesteeren tegen de ongeoorloofde beïnvloeding der kiezers door middel van den drank. Gij kent de feiten. Er werd volop bier beloofd, als de ééne candidaat slaagde. Er werd gratis bier en andere drank geschonken aan hen, die ter stembus gingen. Een formele omkooperij door drank, strafbaar volgens de wet, is ons niet bekend, maar wel de onzedelijke pressie, door het aanbieden van bier uitgeoefend op de kiezers. De elders beruchte bierverkiezingen hebben zich ditmaal hier herhaald. Schandelijke slemppartijen, openbare dronkenschap en ergerlijke baldadigheden waren de treurige gevolgen, welke op rekening komen van hen, die den drank in den verkiezingsstrijd brachten. Als drankbestrijders die meenden de verderfelijke drinkgewoonten in deze te hebben overwonnen, geven wij uiting van onze diepgevoelde verontwaardiging, die zich schier van allen meester maakte. Wij protesteeren met klem tegen de poging van enkelen, om den alcohol, in plaats van het geweten te laten meespreken bij de vervulling van zijn staatsburgerlijken plicht. Geachte medeburgers. Zietdaar ons protest, waartoe de eer der drankbestrijding en het algemeen welzijn ons noopten. Dit protest heeft ongetwijfeld uwe sympathie. (…) Gij allen, geeft ons uw zedelijken steun. Wij hebben dien noodig bij de bestrijding van het alcoholisme in het algemeen, en van het bieralcoholisme bij de verkiezingen in het bijzonder. Weigert ons dien steun niet. Dan zijn wij u dankbaar. En God zegene U.

vrijdag 10 januari 2014

Verkiezingscampagnes: altijd goed voor de horeca!

Herman Maas (1877-1958), de schrijvende onderwijzer, schreef in 1909 'Het goud van de Peel'.
Uit die roman volgen hier twee stukjes:

De verkiezingsdrukte was in enkele dagen in volle gang.

De raadsleden liepen het dorp rond, voor Cuypers. Hém kwam het nu toe lid te worden. Het was een gemene streek van die Van Eijzen zich daartussen te steken. Alleen maar ruziestokerij. Hij was altijd zo'n warsknuppel geweest. Die kon het maar niet laten twist en tweedracht te brengen. Wat ging er boven vrede in het dorp en eensgezindheid in de raad? Dat geluk had Peelheim al jaren gekend, tot ieders vreugd en voordeel, en nu zou één zo'n hardkop als Van Eijzen de gehele gemeente het onderste boven willen zetten met herrie.

Het zou een grote schande zijn voor het dorp en ook de secretaris en de burgemeester veel verdriet aandoen, als hij één stem kreeg. Geen mens mocht op hém stemmen. Cuypers moest het zijn en anders niemand, dat was besloten. Alle herbergiers moesten de mensen maar trakteren, het kwam er niks op aan, wat het kostte, het zou wel in orde gemaakt worden.

De twee veldwachters trokken de boeren af. De een bracht de complimenten van de burgemeester en de ander van de secretaris, dat de boeren dan en dan zéker moesten gaan stemmen, ze zouden ‘boven’ nog wel horen op wie. En niet thuis blijven, hoor! Voor niks hoefden ze ook niet te komen, want ze konden drinken zoveel als ze maar door de hals konden krijgen.

Daarna werd nog een circulaire verspreid door de gemeente:

 

Kiest Cuypers! Kiest Cuypers! Kiest Cuypers!

Geachte medekiezers van Peelheim!

 

(….)

 

Van Eijzen woedde de herbergen af. Hij zou de drukker en de schrijver van dat gemene stuk voor de rechtbank brengen! Zag men nu wel, dat de raadhuismannen bang voor hem waren? Dat stuk kwam van niemand anders dan van de secretaris. Maar hij zou ze leren, als hij raadslid was! Allee, die lui moesten maar drinken, al kostte het hem duizend gulden.

Zijn zoon en een paar familieleden gingen ook rond door de gemeente, in alle herbergen trakterend en de kasteleins opdragend iedereen maar in te schenken zolang als de mensen lustten, totdat de dag van stemmen voorbij was. Zij en de Jennesen-aanhangers haalden het volk van het werk en voerden het naar de café's. Allen dronken de jenever en het bier van de beide partijen en lachten en praatten onverschillig, naar het ogenblik.

‘Ja, ja!’

Zó goed hadden ze het lang niet meer gehad. Het was precies eender, wie in de raad kwam, maar ze konden toch niks afslaan als vliegen. Iedere dag was een zuipdag, énkele dagen eindigden met woeste vechtpartijen en zware mishandelingen.

 

donderdag 9 januari 2014

De kracht van het kleine getal


Uit: ‘De kiesvereeniging van Stellendijk’, 1880, Lodewijk Mulder

 

 

Haspelstok. (half tot zich zelf.)

Als het in artikel 97 staat, dan zal 't wel zoo wezen. Maar, ik moet zeggen, dat is me nou net of ik alleen met den dominé en den koster in de kerk zit.

Valburg.

Mijnheer de Voorzitter, als U me 't woord wilt vergunnen, wil ik alleen ons geacht medelid doen opmerken, dat hetgeen hij voor een bezwaar houdt, voor eene kiesvereeniging werkelijk geen bezwaar is. Wanneer hij eenigszins in de gelegenheid geweest was, het politiek leven in onze dagen en vooral in ons vaderland te bestudeeren, dan zou hij gezien hebben, dat de gewone loop van zaken deze is. De kiezers worden opgeroepen om over een kandidaat voor de Kamer, de Provinciale Staten of den Gemeenteraad van gedachten te wisselen. Ze blijven thuis, op eenige weinigen na; die doen de zaak in klein comité af en den volgenden morgen zien de stemgerechtigden uit het district in de krant, voor wien ze te stemmen hebben, indien ze niet riskeeren willen, dat hun stem nutteloos verloren gaat. Er zijn voorbeelden, dat eene samenspreking van een half dozijn menschen iemand lid van de Kamer gemaakt heeft, en dus is er in onze bijeenkomst op dit oogenblik, nu we eenvoudig een kandidaat voor het onderkiesdistrict Stellendijk te kiezen hebben volstrekt niets abnormaals. Ons geacht medelid kan daaromtrent volkomen gerust zijn.

Haspelstok.

Ik ben geheel gerust.

Valburg.

En bovendien, wat ons zelven persoonlijk aangaat, wij, die door onze trouwe opkomst toonen, dat we in de publieke zaak belang stellen, wij hebben des te meer invloed naarmate wij minder talrijk zijn. Op dit oogenblik bijvoorbeeld beheerschen wij met ons drieën de geheele verkiezing in Stellendijk. Met recht kunnen we dus zeggen: In ons isolement ligt onze kracht.

woensdag 8 januari 2014

Geen der voornoemden


In 1979 Louisiana congressional candidate Luther Devine Knox tried to change his name to None of the Above so that the phrase could appear on the ballot.

His hope was that voters could then vote symbolically to reject the whole slate. “The people of this country have never had a free election,” he said in 1991. “We don’t have a right to reject candidates.”

The attorney general stopped him.

Dat waren nog eens tijden!


Hij vermijdt angstvallig zijn kiezers na te lopen, zelfs tijdens de venijnigste verkiezingsgevechten. En het kan er spannen in Dornbergen, hoewel de R.K. Staatspartij in de Raad gemeenlijk 31 van de 35 zetels bezet houdt. De kinderkens der Heilige Kerk beminnen elkander met een felheid, die maar juist op het randje van de beledigingsprocedure blijft en de wederzijdse haat is des te inniger, omdat hij altijd een beetje onder de grond moet blijven vanwege de hooggeroemde Eenheid. Bij tijd en wijlen zijn ze het ook werkelijk eens, wanneer de vier socialisten een onevenredig lawaai maken en durven beweren, dat God de Vader en de Paus van Rome niet betrokken zijn bij de bestrating van het Achterdijkje en de pensioenregeling van het gemeentepersoneel.

Van der Kalck verschijnt nooit ofte nimmer op een vergadering van de R.K. Kiesvereniging; bij de verkiezingen wordt zijn naam bijna niet genoemd. Deze komt hoogstens voor op de reclame-biljetten van het comité, en dient slechts als sleurmiddel voor de mindere goden, die in zijn zog de raadszaal moeten binnenspoelen.

In het krakeel van de kiesstrijd is de gewone kiezer zo suf en besluiteloos gemaakt, hem gonzen zoveel verguisde en opgehemelde namen door het hoofd, dat hij in het stemhokje, den langvergeten Mr. Dr. K.v.d. Kalck als een reddenden engel begroet en hem dadelijk om de hals valt. Een kind begint immers met het gemakkelijkste van een taak en een hond eet eerst de lekkerste hapjes uit zijn schotel. Zo is het een traditie van meer dan vijftien jaar, dat hij zowel voor de Raad als voor de Staten als nummer één van de lijst gekozen wordt.

 

Uit: Doctor Vlimmen (1936) van A. Roothaert

dinsdag 7 januari 2014

Het fenomeen Couwenberg


Sedert menschenheugenis zit Willem Couwenberg in de gemeenteraad. Ooit begon hij met de wapenspreuk ‘Goôl moet Goôl blèève’ (of hij het accent circonflexe gebruikte, weet ik niet zeker); intussen is het al decennia ‘Willem Couwenberg moet blèève’, want tot zijn laatste snik wil hij raadslid blijven. Waarom eigenlijk? Wat doet hij daar in die raadszaal? Wat draagt hij bij aan de publieke zaak? Hij is zonder twijfel het aller-allerslechtste raadslid. Godmiljaar, wat een waardeloos raadslid is hij. Als mensch is hij best te verdragen, maar als politicus….

Hier volgen drie citaten uit terugblikken op raadsvergaderingen. In het eerste stukje ben ik nog mild (ook dat komt voor); de beide andere stukjes zij wat scherper.

Zoals het - ik stelde het vorige week andermaal vast - onmogelijk lijkt om waar dan ook in de hoofdstad van onze provincie een andere Bossche bol te bestellen dan die van Jan de Groot (bestaan er überhaupt wel andere dan die?), zo is het in de raad van onze gemeente nog nooit iemand gelukt om Willem Couwenberg te betrappen op een zinnige bijdrage die bovendien nog betrekking heeft op het agendapunt dat aan de orde is. Is de ‘evaluatie brede school’ onderwerp van bespreking, dan geeft Willem te kennen, dat de stoeptegels in die en die straat scheef liggen, en dat het schoolzwemmen moet worden heringevoerd vanwege ‘het gevaar van verdrinking en andere ongemakken’. Discussieert de raad over Back to Basics, dan komt Willem op de proppen met de Nieuwkerksedijk die ‘er schandalig bij ligt’, en met een vertoog over de gladheidbestrijding die regionaal moet worden opgezet, met vrijwilligers. Kortom, kant noch wal en nooit ter zake doende. Willem draaft als een circuspaard zijn rondjes in de politieke piste, en hij beheerst daarbij slechts één kunstje: jammeren over de deplorabele staat van onderhoud van het openbaar groen en de straten. Toch is onze one-trick-pony van de Lijst Couwenberg mij duizend keer sympathieker dan menig ander raadslid. Immers, Willem is altijd eerlijk, en hij strijdt met open vizier. Hij - vergeef me deze klassieke uitweiding - is eerder een egel dan een vos, naar het woord: multa novit vulpes, verum echinus unum magnum: de vos heeft een arsenaal vol slimme weetjes tot zijn beschikking, maar de egel is de drager van één grote waarheid. 

 

Ten eerste het betoog (?) van de heer Couwenberg inzake de jeugdzorg; Willem las gedurende vele, lange minuten voor uit een rapport, en hij kán helemaal niet voorlezen. Wat hij naar voren bracht was totaal niet relevant, noch aan de orde, en niemand luisterde er dan ook naar. Sommige raadsleden gingen een sigaretje roken, andere maakten van de gelegenheid gebruik om de exquise sanitaire voorzieningen van het gemeentehuis te utiliseren, weer andere kregen een glazige blik in de ogen en deemsterden zachtjes weg in een hazenslaapje. Miljaar, waarom verzamelt Willem geen postzegels, of bouwt hij thuis in de avonduren niet een schip van luciferhoutjes? Daar zouden we allemaal - hijzelf incluis - een stuk blijer van worden. Want als politicus is hij een weerzinwekkende bazelaar, en zijn optreden in de raad is een aanfluiting.

 

Des anderen daags werd de vergadering voortgezet. Het werd de avond van een nieuw clownsnummer van de heer Couwenberg. Tatatatááá: Circus Couwenberg presenteert Willem de Waarzegger. “Ja, ik weet al precies hoe dit aflopen. PvdA, PAG en CDA zullen vóór stemmen, de SP tegen, en VVD en LRG weten het nog niet. Het voorstel wordt uiteindelijk aangenomen.” De grootste fout die je kunt maken, is om te lachen om deze potsenmakerij, want vanaf dat moment is onze pias niet meer te houden. Keer op keer herhaalt hij dan zijn kunstje, en begint er bovendien steeds luider bij te roepen. Foei, deze volksvertegenwoordiger is erger dan alle Egyptische plagen bijeen. Steekvliegen, veepest, hagel, kikvorsen, zweren, duisternis, sprinkhanen, het is allemaal onprettig, maar de farao zou ongetwijfeld meteen zijn gezwicht als Mozes de eerste keer Willem naar het hof had meegenomen. Laat dat volk alsjeblieft uittrekken, meej gaang!

Stembusproducten

Multatuli schrijft: En overigens: vivant sequentes! Want, landgenooten, ons vaderland heeft mannen noodig, of liever - want wat doet er 't geslacht toe? - we hebben behoefte aan menschen. Meent ge nog steeds, anders dan by zeer groote uitzondering, die te zien opdagen uit uw achtenveertigsche stembus? Wie dit gelooft, moet maar eens 't oog slaan op byna alles wat die stembus geleverd heeft, en op den toestand die uit de wanbegrippen daaromtrent is voortgesproten

maandag 6 januari 2014

Over ruiters en oogkleppen


Ik volg de Goirlese politiek al een tijdje op de voet, en dat is niet altijd een genoegen. Waar ik bijvoorbeeld slecht tegen kan, is het verschijnsel, dat sommige politici nimmer van koers willen veranderen en tegen beter weten in blijven vasthouden aan hun standpunten. Dan kun je er getuige van zijn hoe de raadsleden urenlang debatteren en min of meer tot elkaar komen, met uitzondering van zo’n Prinzipienreiter die geen millimeter van zijn plek komt. Niet voor rede vatbaar. Ik las ergens: “Prinzipienreiterei und Dummheit sind zwei Seiten einer Medaille”. Der Kopf ist rund damit das Denken die Richtung wechseln kann, maar de hardliners hebben hun oogkleppen op.  Ja, goed geraden, ik denk weer aan de SP. Ik schreef er over in een stuk met de titel “Zet toch eindelijk eens af, die paardenbril!” Het ging over de begrotingsvergadering van november 2012. Ik citeer:

Het debat doofde langzaam uit; tijd dus om te gaan stemmen over de ingediende moties en amendementen. De SP handhaafde al haar moties en amendementen, en ze werden ook alle 14 weggestemd, met steeds slechts drie stemmen voor: die van Deborah, Arno en Willem (‘Handjes op de lessenaar!’). Sodeju, SP, wat is dit voor een wanvertoning? Veertien volstrekt kansloze pogingen om als oppositiepartij wat bij te sturen…. dan moet je toch eens bij jezelf te rade gaan of je nog goed bezig bent. Er was een tijd dat de SP in Goirle heel wat slimmer (Jean-Louis van Os) en constructiever (Geert van Ostaden) opereerde. Helaas, Deborah en Arno, het zijn heel aardige, misschien zelfs wel sympathieke lieden, maar in de gemeenteraad bakken ze er niets van. PvdA en PAG trekken als oppositiepartijen samen op en negeren de SP en Lijst Couwenberg. Waarom zou dat zo zijn, Deborah en Arno? In ieder geval, het is bedroevend, dat de SP slechts een marginale rol speelt in het politieke landschap van Goirle. De partij heeft sterke punten: de organisatie, de actieve achterban, en het sociale programma. Edoch, het leidt allemaal tot niet meer dan wat machteloos gesputter, en tot groeiende verbetenheid (een verbetenheid die soms - zie zendmast in toren St. Jan - zelfs doorslaat naar hysterie) die de partij nog verder zal isoleren. Zet, miljaar, die paardenbril eindelijk eens af, SP! Doe eens normaal (dixit Wilders), doe zelf normaal (dixit Rutte), doe het eens met wat meer humor en relativeringsvermogen: If you make a revolution, make it for fun, don’t  make it in ghastly seriousness, don’t make it in deadly earnest, do it fot fun.

De begrotingsstukken 2013 werden, even na tienen, door de raad vastgesteld, met twee stemmen tegen (Deborah en Arno). “Is bij ons traditie”, zei Arno na afloop.

zondag 5 januari 2014

Politieke beginselen

In april 2013 schreef ik een terugblik op de raadsvergadering onder de titel:
Zo menigeen had een schone droom
maar de boer hij ploegde voort...
Ik ging in dat stuk met name in op de (ideologische) opstelling van de SP:

De SP, wat moet je ermee?

De SP is een ideologische partij met marxistisch-leninistische wortels. Niks mis mee; ze doen maar met hun dromen van arbeidersparadijzen en zo. Elke partij in de raad heeft zo zijn schone dromen: solidariteit, duurzaamheid, vrijheid, gerechtigheid, rentmeesterschap, you name it. Die dromen zijn nuttig en goed, maar ze mogen je blik op de werkelijkheid nooit vertroebelen. Je moet helder blijven kijken en denken. Met gezond verstand. Als een boer, zogezegd. Dromen is zoet, maar om iets te bereiken moet je de koe bij de horens vatten, veeteelt, dan wel de hand aan de ploeg slaan, akkerbouw. Iets agrarisch of politieks verwezenlijken doe je met een heldere blik en met twee voeten stevig in de realiteit. In de Goirlese gemeenteraad overheerst gelukkig deze instelling, met uitzondering helaas van Deborah en Arno. U wilt een klein, maar veelzeggend voorbeeldje? Ik geef u er een. Behandeling van de Voorjaarsnota van de GGD. We hebben het in de welzijnscommissie over gezondheidsverschillen. Zoals ieder weet, wordt je gezondheid in hoge mate bepaald door je levensstijl, en die weer door je opleiding. “Nee”, protesteert Deborah, “gezondheidsverschillen hangen niet samen met het opleidingsniveau, maar met de hoogte van het inkomen. Mensen met een laag inkomen krijgen gewoon onvoldoende mogelijkheden om op een gezonde manier te leven.” De conclusie die de SP dan (graag) trekt: armoedebestrijding is gezondheidsbeleid. Dit is grote onzin. Wetenschappelijk gezien apert onjuist. Maar het past niet in de filosofie van de SP over het boze, kapitalistische systeem dat er alles aan doet om de mensen eronder te houden, en dus wordt het genegeerd. Zal ik hier daarom maar niet vermelden, dat er een sterke relatie is tussen intelligentie en armoede, en dus ongezondheid. “Een laag IQ komt vooral voor in bevolkingsgroepen met een lage SES” (sociaal-economische status), las ik onlangs. Oei, oei, dat is natuurlijk helemaal taboe. In ieder geval, de SP sluit graag de ogen voor de realiteit, als die haar niet past.
 
 



Een verkiezingsroman

Een citaat uit een satire, een curieus boek uit 1869, geschreven door Henry van Meerbeeke (pseudoniem van Martinus Wilhelmus van der Aa):

Maar wat deze wel weten is dat in dit woord ‘vijanden,’ of ‘politieke tegenstanders’ zoo als men bij verkiezingen zegt, een tooverkracht ligt, groot genoeg om lieden levenslang tegen elkander in het harnas te jagen, die, als zij in den beginne met elkander hadden gesproken, ontdekt zouden hebben dat zij hetzelfde verlangden.’

‘Ondanks al dien spot, waart gij heden morgen druk bezig om Van Hoven voor de eene of andere kandidatuur te winnen!’

‘Dat was ik, maar niet om een beginsel, maar om een persoon. Ik schat het kiesregt hoog, en als ik meen iets ten goede te kunnen verrigten, werk ik ijverig in de verkiezingen mede. Maar, nog eens, niet om de beginselen, altijd om de personen. Zoo de kiezers hun hoofd niet verhitten met allerlei afgetrokken politieke begrippen, waarvan zij toch voor het meerendeel niets vatten, met partijleuzen en magtspreuken, die de kiezersvereenigingen als etiketten voor hun - dikwijls bedorven - waar gebruiken, en indien zij zoo wijs waren enkel op den persoon, op zijn karakter, op zijn daden, op zijn bekwaamheden te letten, en de beginselen aan de mannen hunner keuze overlieten, zooals zij het nu in elk geval met de toepassing moeten doen, zou het vrij wat beter voor het land zijn! Ga ik naar de stembus - en ik doe dit meest altijd - het is om de kansen van een kandidaat, die mij bevalt, te vermeerderen, of als er zulk een kandidaat, zooals gewoonlijk, niet is, om den minst slechte te doen benoemen. Uwe kandidatuur sta ik voor: niet alleen omdat gij mijn vriend zijt, maar 1o. omdat gij tevens, zooals ik weet, uwe betrekking eer zoudt aandoen, en er de pligten ernstig van opvatten, en 2o. omdat gij geen politieke beginselen hebt.

 

 

 
Uit: Zóó wordt men lid van de Tweede Kamer, een Hollandsche verkiezingsroman

 

In De Gids, jaargang1870, staat een recensie van de hand van Simon Gorter, de vader van Herman Gorter

 

 

Zóó wordt men lid van de Tweede Kamer is een geestig boek, een boek vol menschenkennis en studie, een leerzaam en een doorwrocht boek; maar of het, met zijn volslagen gebrek aan edele karakters en edele motieven, met zijn cynische minachting der menschelijke natuur en zijn ongeloof in de kracht van het goede, is een goed boek, dat zouden wij wel willen vragen. Zulk een boek te kunnen schrijven is een benijdbaar voorrecht. Dit boek geschreven te hebben is het daarom nog niet.

Betrokkenheid


"Het is een misvatting dat praten of je opwinden over politiek en politici tekenen zijn van betrokkenheid. Tegenwoordig kan juist zwijgen over politiek en politici een teken van betrokkenheid zijn."

Arnon Grunberg, Kerstgedachten, De Volkskrant, 24.12.2010.

zaterdag 4 januari 2014

Canvassen


 

Wat me nóg erger lijkt dan ‘je gezicht laten zien’, is canvassen. Het WNT (Woordenboek der Nederlandsche Taal) geeft als betekenis: klanten werven, colporteren. De voorbeeldzin komt uit een advertentie die in 1970 in de krant stond: “Vindt u uzelf ambitieus, representatief, doortastend. En volhardend genoeg om te kunnen canvassen en pionieren? Bent u een geboren verkoper. Met minimaal vijf jaar ervaring in de verkoop van kantoormachines of industriële produkten?”

Tegenwoordig heeft ‘canvassen’ vooral een politieke betekenis, zoals uit het woordenboek van neologismen blijkt: canvassen (← Eng. to canvass ‘werven, bewerken’), verkiezingscampagne voeren door huis aan huis kiezers te ronselen. ‘Huisbezoeken’, ‘canvassen’ (belletje trekken), straatgevechten, redevoeringen in grote en kleine zalen verspreid over drie Brabantse gemeenten. (De Volkskrant, 08/03/86)
Eerst twee ziekenhuisbezoekjes, dan een uurtje canvassen op Kings Road. (Vrij Nederland, 12/04/97)

Huisbezoek, nee, dank u; huis aan huis aanbellen, ik moet er niet aan denken! Een redevoering, ach, er wordt toch niet geluisterd, maar straatgevechten, hé, dat is andere koek!, die trekken me bijzonder aan, mits afgesproken kan worden, dat ik geen klap zal beuren.

vrijdag 3 januari 2014

De beste wensen


Nieuwjaarsreceptie

 

Mijn politieke vrienden houden mij steeds voor, dat een kandidaat zijn gezicht moet laten zien. Niet eens een keertje, neen bij alle mogelijke gelegenheden. Nu is dat in mijn geval ‘vragen om moeilijkheden’, want ik ben de treurige bezitter en eigenaar van een - wat de Duitschers noemen – ‘Backpfeifengesicht’. Deze term wordt zelfs in Engeland gebruikt, en de vertaling die zij daarbij vermelden is: ‘a face which invites you to slap it’, of, krachtiger, ‘a face badly in need of a fist’. Kortom, een gezicht dat als het ware roepend vraagt om een oorvijg, een watjekouw, een kaakslag, een muilpeer. Enfin, ik mijd het gezelschap van anderen niet zonder reden. Natuurlijk ga ik nooit naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente, maar nu ik kandidaat ben, moet ik wel. Ik ging in de rij staan en zette mijn grimmigste gezicht op om tenminste de indruk te vestigen dat een eventuele muilpeer met een ferme baffetoen beantwoord zou worden. Het was een lange rij, en ik had daardoor alle gelegenheid te bedenken wat ik de burgemeester en de wethouders toe zou wensen. Een gelukkig Nieuwjaar? De beste wensen? Alles wat wenselijk is?

 

Ik moest denken aan hetgeen ik die middag gelezen had in de Vaderlandsche letteroefeningen uit het jaar 1844. Eene Voorlezing over ‘Wenschen, gelukwenschen en nieuwjaarswenschen’. Ik laat hier enige passages volgen.

“Tot het wenschen aan anderen behoort, dat de les beoefend worde: ‘laat uwe redenen met zout besprengd zijn.’ Velen wenschen anderen toe alle heil en zegen in dit jaar en nog vele volgende jaren na dezen, al spreken zij ook tot stokoude lieden. Of men wenscht, al wat wenschelijk is voor tijd en eeuwigheid, naar ziel en ligchaam, voor zijn Ed. persoon en familie, en ik heb er wel eens bij hooren bepalen, bevrijding van alle onaangenaamheden. Maar, eilieve, is dat toch niet wat al te veel? Zou de mensch, aan wien deze wensch vervuld wordt, of die alles heeft wat wenschelijk is, niet een Engel, een God moeten zijn? En wat is dan al wat wenschelijk is? Al wat de begeerten vervullen kan van hem, wien we wenschen. En dat is dan eens een wellustige, een verkwister, een gierigaard, een bedekte boosdoener of zoo wat? Wenscht men dan niet zijn verderf en dat van zijne betrekkingen? Of is al wat wenschelijk is alles, wat hij, die wenscht, daarvoor houdt? Komt dat niet al op hetzelfde neêr? Maar mij walgt nu eens dat heil, dat hij mij toewenscht, die geen hooger goed kent dan wild of dwaas vermaak, of geld, of rang? Zelfs uwe het hart niet bevredigende wetenschap is mij niet wenschelijk, o zoogenoemde wijze! Wat is dan al wat wenschelijk is? Spreke de volksstem! Gezondheid. Ja, dat's best; maar ziekte is wel eens noodzakelijk en nuttig; doch - 't is best. Voorspoed. Is die altijd wel mogelijk en buiten schade voor anderen? Eere. Braaf; maar als die hoogmoedig maakt? Rijkdom. Kostelijk; maar dan moet het geld niet de Heer en God, maar de knecht van den mensch zijn. Vermaak. Goed; maar welk? en als gezondheid, eer, geld, of, wat erger treft, een der mijnen mij ontvalt, dan is ook alle vermaak weg. Het gelukken van al uwe voornemens. Dat kon wel eens niet wezen tot nut van 't algemeen. Wat nu meer? Ja, zet nu maar: enz. enz. enz. Kunt gij mij niet nagenoeg gelijk geven, dat ik den Nieuwjaarswensch: allen bedenkelijken heil en zegen, of al wat wenschelijk is, houde voor woorden van dezelfde beteekenis als dat het altijd mooi weêr zij, hetgeen al een heel bedenke-

lijk heil zoude zijn, dat de gansche natuur en ons menschen in een' zeer bedenkelijken toestand brengen zoude.

Nog een gebrek ergert mij in veler Nieuwjaarswenschen. Ze zijn vaak zoo onchristelijk, dat er de naam des besten Wezens of niet, of zóó in genoemd wordt, dat het duidelijk is, die dat wenscht, denkt weinig aan God. Ei! is het dan fatsoenlijk, Heidensch te wezen? Wie zal ons het goede doen zien? Wanneer meer, dan bij den aanvang van een nieuw jaar, moesten wij gevoelen onze afhankelijkheid van God, en onze behoefte aan zijne zorge en genade?

Wenschen wij dan elkander toe, wat aan elk noodig is en nuttig, hem beoordeelende naar zijnen stand, jaren en betrekkingen op anderen. En vragen wij het niet aan de koude Mode, maar aan het hart, hoe dan de wensch moet zijn uitgesproken. Wat zouden wij billijk voor ons begeeren, waren wij die hij of zij is, die onze zegenspraak ontvangt? Deze regel van den grootsten aller menschenvrienden laat zich op onze zegenwenschen zoo wel als op onze daden toepassen, en dan hebben we geen formulier van noode, en dan zeggen we jezus christus na: mijnen vrede geef ik u, mijnen vrede (of heilgroet) laat ik u: heel anders, dan de wereld dien geeft, geef ik hem u. Het allerbeste, dat wij anderen wenschen, zal wel op gezondheid en wijsheid neêrkomen, maar vooral op het laatste. Wenschen we hun dan een aardsch heil, bij voorbeeld lengte van dagen, gezondheid, voorspoed, eere, goederen, wij moeten hun die nooit op zichzelve toewenschen, maar in betrekking tot hun waar belang, en hun er een hart bij wenschen, om die voorregten zich en anderen nuttig te genieten.

Een gebed zij onze wensch. Geloof aan Gods bestel, en zucht voor zijne eer, en liefde tot onze medemenschen beziele onzen wensch. Ontbreekt dit, dan kunnen we niet wenschen, dat het onzen naasten wèl ga. Men zegge niet, ‘dat is zoo geen gebruik;’ want Godsdienst en wenschen is geene zaak, die met de Mode maar met het hart wat te maken heeft. Zietdaar, welke gezindheden onze uitgesprokene Nieuwjaarswenschen openbaren moeten; en dan zullen ze geene laffe complimenten zijn. Zietdaar de gezindheden, die u bezielen moeten, al spreekt gij maar weinige woorden, en taal van 't hart is kort; ja, al druktet ge mij zwijgend de hand, al kustet ge mij zwijgend de lippen, gij, Broeder en Zuster! met deze gezindheid zijt gij mij welkom aan het hart, bij de intrede in een nieuw tijdperk van het leven, en zulk een Nieuwjaarswensch is goud waard aan elk, die deugd en liefde hooger waardeert dan geld.”

 

Eindelijk was ik aan de beurt. Ik stak mijn hand naar Machteld uit, doch wist geen woord uit te brengen. Zij gelukkig wel: “Ik hoop van harte, Kandidaat 4 van Lijst 2, dat u op 19 maart heel veel stemmen zult krijgen. Tot heil dezer gemeente!” Toch fideel van haar, vindt u niet?

 

 

 

donderdag 2 januari 2014

Een representatieve raad?


In het Brabants Dagblad van 24 december 2013 las ik een mijns inziens merkwaardige opinie van meneer Gerard Drosterij, politicoloog. Hij schildert een somber beeld: via de decentralisaties komen er steeds meer belangrijke taken en verantwoordelijkheden (jeugdzorg, arbeidsparticipatie, enz.) naar de gemeenten toe, terwijl de gemeenteraden toch al zwaar onder druk staan, omdat er amper voldoende mensen te vinden zijn die raadslid willen worden. “Het vak”, aldus Drosterij, “betaalt slecht, maakt je kwetsbaar voor de (soms gewelddadige) frustratie van vreemden en is gewoon droog en complex.” Het grootste probleem is de tijd: wie kan en/of wil er naast zijn baan nog eens twintig uur per week aan de lokale politiek besteden? “Straks wagen alleen nog maar jonge vrijgezellen en gepensioneerden de gok van een raadslidmaatschap.” En dan komt onze politicoloog tot de volgende vaststelling: “Nu ligt het oordeel over het lokaal beleid in handen van een kleine groep wier representativiteit en controlemacht onder vuur ligt.”

Dit is een tamelijk krukkig geformuleerde conclusie; de koppenmaker van de krant doet het beter met de heldere tekst: “Weinigen staan te trappelen om raadslid te worden. Daardoor zijn raden nauwelijks representatief.”

 

Laten we hier even bij stil staan.

De gedachte die achter bovengenoemde conclusie ligt, is: hoe getrouwer de raad een afspiegeling is van de lokale bevolking, hoe beter die raad kan functioneren (ergo: hoe beter het is). De ideale gemeenteraad bestaat uit evenveel mannen als vrouwen, en telt ouderen, middelbaren en jongeren in dezelfde verhouding als in de desbetreffende gemeente het geval is, en idem qua opleidingsniveau, levensbeschouwing, inkomen, en allerlei andere variabelen. Deze denkwijze deugt niet. De ideale raad bestaat uit mensen die gemotiveerd zijn om zich in te zetten voor de openbare zaak, en zo mogelijk ook nog capabel zijn. Daarbij is het niet van belang of ze man of vrouw, dik of dun, brildragend en/of kaal zijn, maar enkel en alleen of ze het vertrouwen genieten van de kiezers. Dat vertrouwen wordt uitgesproken bij de verkiezingen.

 

Volgen we weder het betoog van de heer Drosterij. Hij oppert het idee om het probleem van  - in zijn woorden - ‘de steeds smallere basis van de gemeenteraad’, ofwel ‘dat democratische tekort’ op te lossen via zogeheten ‘burgerraden’ (te vergelijken met de burgerjury’s in de Angelsaksische rechtspraak): via loting nemen burgers zitting in zo’n raad waarin ze zich kunnen oefenen “in het oordelen over de vele dilemma’s die er aan zitten te komen in de nieuwe werkelijkheid van de gedecentraliseerde participatiesamenleving.”

Werkelijk een hoogst curies idee! Als er werkelijk onder brede lagen van de lokale bevolking al was het maar een greintje belangstelling voor de politiek zou bestaan, was de publieke tribune tijdens de raadsvergaderingen wel aanmerkelijk beter bezet.

Politiek is geen theater, geen voetbalwedstrijd, geen vermaak. Politiek is je in zaken verdiepen, nadenken, overleg voeren, en besluiten nemen. Politiek is hard werken, en stank voor dank.

woensdag 1 januari 2014

Stemadvies


Mijne Heeren!

 

Hij die het woord tot u rigt is een Goirlenaar, niet van geboorte, maar zekerlijk uit eigen keuze en overtuiging.

Ik zeg dit, omdat ik als Goirlenaar tot Goirlenaren spreken wil, dat is, u op eenen grond wensch te ontmoeten, waar de onverdelgbare gevoelens die ons vereenigen, in u en in mij zich moeten verlevendigen, waar ik het regt, dat ik verdedigen wil, het beste meen te kunnen doen gelden, en zonder de u verschuldigde kieschheid eenigermate te kwetsen, mij daartoe bij u beroepen kan op het gezond verstand. Immers aan de Goirlenaren wordt zeer bijzonder gezonde rede en verstand toegeschreven. Dit maakt hen zoo kalm en bedaard, zoo bezonnen en praktiesch, en houdt hen meestal in de wijze middelmaat. De gave moge dan niet schitterend zijn, zij is degelijk; op gezond verstand drijft de wereld, niet op genie. Welaan dan, zijn wij Goirlenaren, en laat ons redeneren! Het onderwerp is u maar al te bekend: er moet eerlang gekozen worden.

(……)  Ik spreek van eenvoudige, van openbare feiten, welke de zaak aankondigen als meer en meer nabij. Heeft, om iets te noemen, in ’t reeds voorleden jaar, de wethouder van Lijst Riel Goirle niet openlijk en ten aanhoore van de gansche gemeenteraad bekend gemaakt, dat de zoo dikwerf (….) Mannen, die ik niet alleen bij naam ken, maar wier vriendschap ik mij tot eere reken, hebben mij verhaald wat hun wedervaren is. De een werd met steenen geworpen, de ander in het aangezigt geslagen, een derde ontving een vuistslag die hem den hoed van ’t hoofd deed vliegen, een vierde kwam men tot tweemalen bespuwen, en hadde de achtingswaardige man, die reeds een stomp in den rug ontvangen had, zich niet ijlings van daar gemaakt, de ramp die men vreesde, neen wenschte, ware waarschijnlijk gevolgd. (….) Laat ons alle spitsvondigheid, die welligt naar absolute mogelijkheden zoekt, ter zijde stellen, en gelijk het Goirlesche gezond verstand het gewoon is, oordelen naar de regelen des levens en der ondervinding: kan de zaak zelve goed, billijk, regtvaardig zijn, die zich in dergelijke baldadigheden heeft uitgedrukt? Ik blijf desondanks hopen op het Goirlesch gezond verstand; ofschoon, ik moet het wel bekennen, dat verstand voor ’t oogenblik met vrij wat nevelen is omtogen. (….) En daarom zeg ik u tot slot: geef uw stem liever aan het CDA, en als u toch bezig bent: maak het vakje achter Kandidaat 4 rood!

Ik heb gezegd!

2014: niet gloeien, maar vlammen!


Ein neues Buch, ein neues Jahr

 

Theodor Fontane (1819-1898)

 

Ein neues Buch, ein neues Jahr

Was werden die Tage bringen?

Wird's werden, wie es immer war,

Halb scheitern, halb gelingen?

Ich möchte leben, bis all dies Glüh'n

Rückläßt einen leuchtenden Funken.

Und nicht vergeht, wie die Flamm' im Kamin,

Die eben zu Asche gesunken.

 

Het nieuw jaar zal Deo Volente, Inshallah, veel moois brengen. Voor mij persoonlijk steekt de maand maart er al op voorhand bovenuit. Nee, niet vanwege die 19e , maar met het oog op de naderende geboorte van een kleinzoon!!!