Nieuwjaarsreceptie
Mijn politieke vrienden houden mij steeds voor, dat een
kandidaat zijn gezicht moet laten zien. Niet eens een keertje, neen bij alle
mogelijke gelegenheden. Nu is dat in mijn geval ‘vragen om moeilijkheden’, want
ik ben de treurige bezitter en eigenaar van een - wat de Duitschers noemen –
‘Backpfeifengesicht’. Deze term wordt zelfs in Engeland gebruikt, en de
vertaling die zij daarbij vermelden is: ‘a face which invites you to slap it’,
of, krachtiger, ‘a face badly in need of a fist’. Kortom, een gezicht dat als
het ware roepend vraagt om een oorvijg, een watjekouw, een kaakslag, een
muilpeer. Enfin, ik mijd het gezelschap van anderen niet zonder reden.
Natuurlijk ga ik nooit naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente, maar nu ik
kandidaat ben, moet ik wel. Ik ging in de rij staan en zette mijn grimmigste
gezicht op om tenminste de indruk te vestigen dat een eventuele muilpeer met
een ferme baffetoen beantwoord zou worden. Het was een lange rij, en ik had
daardoor alle gelegenheid te bedenken wat ik de burgemeester en de wethouders
toe zou wensen. Een gelukkig Nieuwjaar? De beste wensen? Alles wat wenselijk
is?
Ik moest denken aan hetgeen ik die middag gelezen had in de
Vaderlandsche letteroefeningen uit het jaar 1844. Eene Voorlezing over
‘Wenschen, gelukwenschen en nieuwjaarswenschen’. Ik laat hier enige passages
volgen.
“Tot het wenschen aan anderen behoort, dat de les beoefend
worde: ‘laat uwe redenen met zout besprengd zijn.’ Velen wenschen anderen toe
alle heil en zegen in dit jaar en nog vele volgende jaren na dezen, al spreken
zij ook tot stokoude lieden. Of men wenscht, al wat wenschelijk is voor tijd en
eeuwigheid, naar ziel en ligchaam, voor zijn Ed. persoon en familie, en ik heb
er wel eens bij hooren bepalen, bevrijding van alle onaangenaamheden. Maar,
eilieve, is dat toch niet wat al te veel? Zou de mensch, aan wien deze wensch
vervuld wordt, of die alles heeft wat wenschelijk is, niet een Engel, een God
moeten zijn? En wat is dan al wat wenschelijk is? Al wat de begeerten vervullen
kan van hem, wien we wenschen. En dat is dan eens een wellustige, een
verkwister, een gierigaard, een bedekte boosdoener of zoo wat? Wenscht men dan
niet zijn verderf en dat van zijne betrekkingen? Of is al wat wenschelijk is
alles, wat hij, die wenscht, daarvoor houdt? Komt dat niet al op hetzelfde
neêr? Maar mij walgt nu eens dat heil, dat hij mij toewenscht, die geen hooger
goed kent dan wild of dwaas vermaak, of geld, of rang? Zelfs uwe het hart niet
bevredigende wetenschap is mij niet wenschelijk, o zoogenoemde wijze! Wat is
dan al wat wenschelijk is? Spreke de volksstem! Gezondheid. Ja, dat's
best; maar ziekte is wel eens noodzakelijk en nuttig; doch - 't is best. Voorspoed.
Is die altijd wel mogelijk en buiten schade voor anderen? Eere. Braaf; maar
als die hoogmoedig maakt? Rijkdom. Kostelijk; maar dan moet het geld
niet de Heer en God, maar de knecht van den mensch zijn. Vermaak. Goed;
maar welk? en als gezondheid, eer, geld, of, wat erger treft, een der mijnen
mij ontvalt, dan is ook alle vermaak weg. Het gelukken van al uwe
voornemens. Dat kon wel eens niet wezen tot nut van 't algemeen. Wat nu
meer? Ja, zet nu maar: enz. enz. enz. Kunt gij mij niet nagenoeg gelijk
geven, dat ik den Nieuwjaarswensch: allen
bedenkelijken heil en zegen, of al wat wenschelijk is, houde voor woorden van
dezelfde beteekenis als dat het altijd mooi weêr zij, hetgeen al een heel
bedenke-
lijk heil zoude zijn, dat de gansche natuur en ons menschen
in een' zeer bedenkelijken toestand brengen zoude.
Nog een gebrek ergert mij in veler Nieuwjaarswenschen. Ze zijn
vaak zoo onchristelijk, dat er de naam des besten Wezens of niet, of zóó in
genoemd wordt, dat het duidelijk is, die dat wenscht, denkt weinig aan God. Ei!
is het dan fatsoenlijk, Heidensch te wezen? Wie zal ons het goede doen zien?
Wanneer meer, dan bij den aanvang van een nieuw jaar, moesten wij gevoelen onze
afhankelijkheid van God, en onze behoefte aan zijne zorge en genade?
Wenschen wij dan elkander toe, wat aan elk noodig is en
nuttig, hem beoordeelende naar zijnen stand, jaren en betrekkingen op anderen.
En vragen wij het niet aan de koude Mode, maar aan het hart, hoe dan de wensch
moet zijn uitgesproken. Wat zouden wij billijk voor ons begeeren, waren wij die
hij of zij is, die onze zegenspraak ontvangt? Deze regel van den grootsten
aller menschenvrienden laat zich op onze zegenwenschen zoo wel als op onze
daden toepassen, en dan hebben we geen formulier van noode, en dan zeggen we jezus christus na: mijnen vrede geef ik u, mijnen
vrede (of heilgroet) laat ik u: heel anders, dan de wereld dien geeft, geef ik
hem u. Het allerbeste, dat wij anderen wenschen, zal wel op gezondheid en
wijsheid neêrkomen, maar vooral op het laatste. Wenschen we hun dan een aardsch
heil, bij voorbeeld lengte van dagen, gezondheid, voorspoed, eere, goederen,
wij moeten hun die nooit op zichzelve toewenschen, maar in betrekking tot hun
waar belang, en hun er een hart bij wenschen, om die voorregten zich en anderen
nuttig te genieten.
Een gebed zij onze wensch. Geloof aan Gods bestel, en zucht
voor zijne eer, en liefde tot onze medemenschen beziele onzen wensch. Ontbreekt
dit, dan kunnen we niet wenschen, dat het onzen naasten wèl ga. Men zegge niet,
‘dat is zoo geen gebruik;’ want Godsdienst en wenschen is geene zaak, die met
de Mode maar met het hart wat te maken heeft. Zietdaar, welke gezindheden onze
uitgesprokene Nieuwjaarswenschen openbaren moeten; en dan zullen ze geene laffe
complimenten zijn. Zietdaar de gezindheden, die u bezielen moeten, al spreekt
gij maar weinige woorden, en taal van 't hart is kort; ja, al druktet ge mij
zwijgend de hand, al kustet ge mij zwijgend de lippen, gij, Broeder en Zuster!
met deze gezindheid zijt gij mij welkom aan het hart, bij de intrede in een
nieuw tijdperk van het leven, en zulk een Nieuwjaarswensch
is goud waard aan elk, die deugd en liefde hooger waardeert dan geld.”
Eindelijk was ik aan de beurt. Ik stak mijn hand naar Machteld
uit, doch wist geen woord uit te brengen. Zij gelukkig wel: “Ik hoop van harte,
Kandidaat 4 van Lijst 2, dat u op 19 maart heel veel stemmen zult krijgen. Tot
heil dezer gemeente!” Toch fideel van haar, vindt u niet?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten