donderdag 30 januari 2014

Vanwege Gedichtendag

Vandaag een gedicht over vergane glorie en een bijtende kritiek op de pathetische pretenties van potentaten. De vertaling van Hendrik de Vries en het origineel.


Hendrik de Vries
Ozymandias


(naar Shelley)

 

Een zwerver uit een vreemd oud rijk bericht:

 ‘Twee zuilen, beenen zonder tors, verrijzen

 In 't woestland. - Daar ligt ook 't verminkt gezicht,

 Half toegedekt, welks grimlach vol misprijzen,

 Welks heerschersfrons, als van wie koel beveelt,

 Bewijzen: hoe de schampere hoon des houwers

 Die ziel doorzag, die, kundig meegedeeld

 Aan 't zielloos beeld, nog leeft voor schaarsche aanschouwers.

 In 't voetstuk staat: “Ik ben de Heer der Vorsten,

 Ik, Ozymandias. Beziet mijn werken

 En wanhoopt, gij grootmachtigen en sterken.”

 Niets rest hiernevens. Om 't ontzaglijk wrak

 Strekt grenzeloos een oord van eeuwig dorsten

 Mistroostig stuifzand, kaal en vaal en vlak.’
 
 
I met a traveller from an antique land
Who said: Two vast and trunkless legs of stone
Stand in the desert. Near them, on the sand,
Half sunk, a shattered visage lies, whose frown
And wrinkled lip, and sneer of cold command
Tell that its sculptor well those passions read
Which yet survive, stamped on these lifeless things,
The hand that mocked them and the heart that fed.
And on the pedestal these words appear:
“My name is Ozymandias, king of kings:
Look on my works, ye Mighty, and despair!”
Nothing beside remains. Round the decay
Of that colossal wreck, boundless and bare
The lone and level sands stretch far away

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten