Uit die roman volgen hier twee stukjes:
De verkiezingsdrukte was in enkele dagen in volle gang.
De raadsleden liepen het dorp rond, voor Cuypers. Hém kwam het
nu toe lid te worden. Het was een gemene streek van die Van Eijzen zich
daartussen te steken. Alleen maar ruziestokerij. Hij was altijd zo'n
warsknuppel geweest. Die kon het maar niet laten twist en tweedracht te
brengen. Wat ging er boven vrede in het dorp en eensgezindheid in de raad? Dat
geluk had Peelheim al jaren gekend, tot ieders vreugd en voordeel, en nu zou
één zo'n hardkop als Van Eijzen de gehele gemeente het onderste boven willen
zetten met herrie.
Het zou een grote schande zijn voor het dorp en ook de
secretaris en de burgemeester veel verdriet aandoen, als hij één stem kreeg.
Geen mens mocht op hém stemmen. Cuypers moest het zijn en anders niemand, dat
was besloten. Alle herbergiers moesten de mensen maar trakteren, het kwam er
niks op aan, wat het kostte, het zou wel in orde gemaakt worden.
De twee veldwachters trokken de boeren af. De een bracht de
complimenten van de burgemeester en de ander van de secretaris, dat de boeren
dan en dan zéker moesten gaan stemmen, ze zouden ‘boven’ nog wel horen op wie.
En niet thuis blijven, hoor! Voor niks hoefden ze ook niet te komen, want ze
konden drinken zoveel als ze maar door de hals konden krijgen.
Daarna werd nog een circulaire verspreid door de gemeente:
Kiest Cuypers! Kiest Cuypers! Kiest Cuypers!
Geachte medekiezers van Peelheim!
(….)
Van Eijzen woedde de herbergen af. Hij zou de drukker en de
schrijver van dat gemene stuk voor de rechtbank brengen! Zag men nu wel, dat de
raadhuismannen bang voor hem waren? Dat stuk kwam van niemand anders dan van de
secretaris. Maar hij zou ze leren, als hij raadslid was! Allee, die lui moesten
maar drinken, al kostte het hem duizend gulden.
Zijn zoon en een paar familieleden gingen ook rond door de
gemeente, in alle herbergen trakterend en de kasteleins opdragend iedereen maar
in te schenken zolang als de mensen lustten, totdat de dag van stemmen voorbij
was. Zij en de Jennesen-aanhangers haalden het volk van het werk en voerden het
naar de café's. Allen dronken de jenever en het bier van de beide partijen en
lachten en praatten onverschillig, naar het ogenblik.
‘Ja, ja!’
Zó goed hadden ze het lang niet meer gehad. Het was precies eender,
wie in de raad kwam, maar ze konden toch niks afslaan als vliegen. Iedere dag
was een zuipdag, énkele dagen eindigden met woeste vechtpartijen en zware
mishandelingen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten