Raadsleden, je hebt ze in soorten en maten. Van ‘de man van
het volk’ tot de kamergeleerde. Zie hem daar zitten, in zijn pose van ‘de
denker’. Speciaal voor hem een Falklandje van Heijermans, uit 1906. Titel:
Gemeenteraads-verkiezing. Hoofdpersoon is de heer Hompelaar: Hij “had z'n
schaapjes op 't droge - sinds kort. Twee jaar woonde-ie in de provincieplaats,
'n lief huis, 'n lieven tuin, 'n lieven moestuin, 'n lieve stalling voor paard
en rijtuig.” In die stal hield hij een geit en vier konijnen, want “met een
paard krijg je ongelukken en belasting”; bovendien was mevrouw er tegen. De
trots van Hompelaar was zijn bibliotheek: “De voorkamer benee, geleek op de
werkkamer van een geleerde - alleen wat tè netjes. Thans waren alle wanden der
kamer met stellages betimmerd, net-geschilderde zwarte planken met groen laken
en koperen pinnetjes. Te midden dezer eenigszins opzichtige geleerdheid stond
een zware tafel met papieren, brochures, paperassen, plaatwerken. Er naast een
massief bureau, beleid met geleerdhedens en met eene volledige Encyclopedie.
Vóór het raam had je eene herhaling: 'n tafel met slòrdig-verspreide boeken,
portefeuilles.” Dan krijgt hij het verzoek of hij zich kandidaat wil stellen
voor de gemeenteraad. Morgen komt de kiesvereniging bij hem op bezoek.
Zaligjes glansden de grijs-grauwe oogjes des heeren Hompelaar.
Hij maakte zich geenerlei illusies over bokkesprongen van Gemeenteraad over
Provinciale Staten naar Tweede kamer - maar de enkle klank van 't woord Edel-Achtbaar dreef stroomen
blijde beminlijkheid en gelukzaligheid naar z'n gebogen hoofd in deze zijne
studeerkamer.
De passeerende menschen buiten, keken respectvol. Te allen
tijde is het een nobel verschijnsel, wanneer ge een auteur, een geleerde, een
alchimist, een gemeenteraadslid, een philosoof in de
studie-cel bezig ziet.
Doch - plotsling ontdaan, òpsprong de heer Hompelaar. In
oude romans zouden ze zeggen: een àdder had hem gestoken. In dit eenvoudig
reciet kan ik dermate overdreven beelden achterwege laten - de heer Hompelaar
dàcht aan de woorden van Stips, de houding van Stips. Morgen kreeg je het hééle
Bestuur èn den notaris, die zoo graag met de boekerij wou
kennis maken. Stips had telkens onopengesneden boeken te pakken
gekregen - als de notaris óók.... Je kon niet de risée van die menschen worden.
En ze in een àndre kamer ontvangen - ging niet. De studeerkamer van een gemeenteraadslid-in-spe was de áángewezen plaats. Wat dan?
De roep van kennis had Stips gezegd. - Als de notaris èn de dokter èn Stips
voor of na de conferentie aan 't snuffelen raakten en allemaal ónopengesneden
boeken.... De heer Hompelaar huiverde lichtlijk. 'n Publiek man loopt spoedig
in de kijkers. Van een schaduw maken ze een wolk....
Opgewonden doorwandelde hij de studeercel, van de eene
overvolle kast naar de andre òvervolle, van Spencer, ingenaaid, naar Goethe,
gebonden, van Motley, gebonden, naar Vondel (gelegenheidskoopje) ingenaaid....
Toen liet de heer Hompelaar de gordijnen neer, nam een
vouwbeen, begon Vondel open te snijden, daarna Spencer, toen Multatuli, toen
Nietsche. Om negen uur sneed-ie 't eerste vel open, om twaalf toen mevrouw 'm
kwam waarschuwen dat 't láát was, snauwde-die haar af. Hij had te wèrken, hàrd
te werken voor de aanstaande verkiezing....
Eerst tegen vier uur ging-ie naar bed, de armspieren
trillend, de handen als verlamd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten