Grotendeels, want er staat ook een gedachte in het artikel
van Berry van ’t Westeinde die nadrukkelijk verworpen dient te worden.
Berry noteert dat de gemeenteraad een
volksvertegenwoordiging is. Oké. Dan vervolgt hij: “Naar mijn mening is het
juist goed dat niet alleen hooggeleerde notabelen uit de gemeente het
gemeentebestuur vormen. Het is belangrijk dat ook mensen met minder opleiding
of werkervaring in de raad zitten. Mensen die bijvoorbeeld weten wat het is om
een minimumloon te verdienen of om jong en student te zijn.” Deze gedachte nu
is onzinnig en dient met kracht te worden bestreden. De ideale raad in de lijn
van Berry’s gedachte is een - ik ben blij weer eens een buitenissig woord te
kunnen gebruiken - ‘olipodrigo’ (van het Spaanse olla podrida: eene spijs,
bestaande uit fijngesneden en sterk gekruid vleesch van verschillende soort; in
’t algemeen een allerlei, een mengelmoes, een poespas), kortom een ratjetoe,
een hutspot, een allegaartje: er moet een gehandicapte in, want die weet hoe
het is om, gezeten in een rolstoel, door het leven te moeten laveren; er
moet een allochtoon in; er moet een hoogbejaarde in; er moet een student in; er
moet onderwijzer in; er moet een neger in; er moet een winkelier in; er moet
een homo in; er moet een vrouw in; er moet een man in; er moet een geestelijke
in; er moet een boer in; er moet, er moet…. ad infinitum (et absurdum).
Waarom, Berry, moet er iemand met een minimumloon en/of een
student in? Kan er dan niet beter een
ouder iemand in, die jong is geweest, gestudeerd heeft (met een kleine beurs),
die werkloos is geweest, op bijstandsniveau heeft geleefd, en die bovendien op
zijn levensweg enige levenservaring heeft opgedaan?
Overigens vraag ik mij af of Berry bij de zinsnede over
‘hooggeleerde notabelen’ aan Goirle heeft gedacht. Dat kan ik me eigenlijk niet
voorstellen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten