zondag 19 januari 2014

Mee buizen an zijn gat!


In de tweede jaargang van Groot Nederland (1904) verschijnt een uitvoerig verhaal van Cyriel Buysse, getiteld: ’n Dorpje. Typen, beelden en herinneringen. Is het zijn geboortedorp Nevele? Waarschijnlijk. De schrijver schetst een beeld van de verkiezingsstrijd en de manier waarop de overwinning wordt gevierd. Als we hem op zijn woord mogen geloven, ging het er in het Vlaanderen van het einde van de negentiende eeuw na de bekendmaking van de uitslag bijzonder levendig aan toe. Zie ook het merkwaardige gewoonte om de verliezers te jennen. In een verklarende noot merkt de schrijver op: Een landelijk Vlaamsch gebruik. Uit hoon en smaad worden, na de verkiezing, buizen (oude kachelpijpen) voorbij de woningen der overwonnen candidaten heen en weer gesleept.

Zoiets zie ik in Goirle  niet gauw gebeuren. Ik denk ook niet, dat ik mijn glasverzekering moet verhogen. Op 19 maart is er enkel een bijeenkomst in het Jan van Besouw, tijdens welke door kandidaten en hun (kleine) aanhang vrolijk dan wel treurig wordt gekeken; men feliciteert of troost elkaar en daarna gaat ieder weer zijns weegs. Maar die Vlamingen… Ik moest denken aan de woorden van Lodewijk van Deyssel: “Ik ben de vriend der Vlamingen, periode 1830-1885, niet. Ju, ju, wat een grof volkje.”

Maar laten we nu liever Cyriel aan het woord:

 

De Liberalen hebben in geval van overwinning aan het volk beloofd:

Zes tonnen bier, een vaatje jenever, en vier groote, schoone hespen.

De Katholieken hebben in geval van overwinning aan het volk beloofd:

Acht tonnen bier, een vat jenever, en een varken in zijn geheel.

 

De stemming is afgeloopen. In drukke, krioelende menigte staat het volk, midden op de straat, vlak vóór het gemeentehuis, den uitslag af te wachten.

Men weet nog niets, maar er loopen verwarde geruchten. Nu eens zijn het de katholieken die 't zullen winnen, dan weer de liberalen. Boven, achter de helle ramen der eerste verdieping, verschijnen af en toe gezichten. Zij kijken naar het volk, beneden in de straat. Sommige hebben een spotachtige uitdrukking, andere een ernstige. Gebaren, waarvan men niet duidelijk de beteekenis kan vatten, worden af en toe gemaakt, schouders worden opgehaald, open handen, met van elkaar gesperde vingers, als getallen, tegen de vensters gedrukt, terwijl monden, met overdreven bewegingen der lippen, woorden uitspreken, die men daar beneden in 't geraas toch niet begrijpen kan. Men begrijpt eigenlijk niets, alles is verward en twijfelachtig, en niemand meer mag boven komen: twee gendarmen houden op de stoep de wacht, en versperren allen toegang tot 't gemeentehuis.

(…)

Daar barst het plotseling uit! Een wild gejuich, dat de ruiten doet rinkelen, een wild gezwaai van armen en hoeden, en eensklaps twee, drie ramen open, in daverend geschreeuw en hoera-kreten:

- Vivat de katholieken! Wig mee de liberoalen!

Een groot deel van het volk beneden stuift gillend uit elkaar, woest rennend door de straten. Anderen hoezeeën tegen, nog anderen druipen in haastige stilte af. De vlag op het gemeentehuis wordt uitgehangen, donderend komen enkele mannen van de trappen gehold, duiven worden klappervleugelend opgelaten. De katholieke partij, die aan 't bewind was, triomfeert, de vijanden zijn verslagen, de dorpsmuziek wordt bij elkaar getrommeld, op den kerktoren beginnen de feestklokken te luiden.

't Gepeupel jubelt luid zijn pret en tevredenheid uit. Acht tonnen bier! een vat jenever! en een geheel varken! Waar zijn die tonnen? Waar is dat vat? Men wil er dadelijk van drinken. En waar is ook het varken? Men wil het zien! Men wil het oogenblikkelijk hebben.

(…)

Een aantal mannen, en ook enkele vrouwen en kinderen loopen terstond van de biertonnen weg en dringen naar 't jenevervat. Een kraan er in, en spoedig geeft het ook zijn inhoud. Helder als water, een doordringend-sterken geur verspreidend, vult het dronkesap de kleinere glaasjes. En als water slaan de mannen het naar binnen, in één teug, zonder te slikken. De vrouwen beginnen schril te kwebbelen, een tiental kinderen, reeds stomdronken, zwenken waggelend en gil-lachend over de plaats.

- Ons virken nou! Ons virken! De meesten, beu gedronken, eischen nu ook 't beloofde varken. Ze weten wel niet wat zij er mee zullen doen, maar zij eischen het toch, omdat het hun beloofd is.

- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Ons virken! Ons virken!

't Beloofde zwijntje staat al vast klaar op de binnenplaats van een herberg. Op bevel van den veldwachter wordt het naar buiten gehaald.

Het is een mooi zwijntje, van middelmatige grootte, heel en al teer-rozekleurig, met een kort, scheef-krullend staartje en één enkele grauwe vlek op 't linkeroor. Een woest gejuich begroet zijn knorrend optreden, en honderden komen er brullend omheen zwieren en draaien, hand en hand, hossend en springend, in een wilden rondedans.

- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Vivat ons virken! Vivat ons virken!

- Kom, we goan d'r mee deur 't dorp! gilt een stem.

- Mee buizen an zijn gat! roept een tweede.

- Joa joa, mee buizen, nondedzju! Wie hèt er buizen? schreeuwen honderden.

- En mee 'n kiesbriefken op zijne rugge!

- Joa, nondedzju! mee 'n kiesbriefken op zijne rugge.

Een stuk oude, half verroeste kachelpijp wordt gehaald, en met een sterke touw aan een der achterpooten van het zwijntje vastgebonden. Op zijn rug wordt een kiesbriefje geplakt. Het zwijntje knort en snuffelt.

- Vooruit.

In reusachtig joelen en gelach verlaat een kolossale stoet de dorpplaats, en dringt in de straten door. Aan 't hoofd loopt het knorrend, tegenstribbelend zwijntje, door een man aan een touw voortgetrokken, met den witten kiesbrief op den rug en de ratelende kachelpijp na-hobbelend en sleepend over de straatkeien. 't Gepeupel volgt, brullend en waggelend, afschuwelijk dronken reeds, schreeuwbrabbelend met wijd-open kelen en uitpuilende oogen: ‘Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen!’ De heele bevolking ziet toe, schaterlachend geschaard langs de huizen.

Vóór het huis van den notaris, een der candidaten der ‘gebuisde’ liberale lijst, wordt even halt gehouden Het zwijntje wordt naar voren geduwd, en heel de bende buldert los in oorverdoovend gejouw, gefluit, hoehoe-geroep en nabootsing van dierenkreten. Een stok vliegt in de bovenruiten van het doodstil, toegeblinde huis; een kei, groot als een kinderhoofd, beukt aan op de gesloten deur. Verwilderd-knorrend springt het zwijn op zij en smakt zijn leidsman op den grond, terwijl de kachelpijp ratelend heen en weer bonst en hobbelt. Onder scherp-schaterend gegil wordt het weer vastgegrepen, en verder zwenkt en lawaait de dronken bende er het dorp mee in.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten