In de tweede jaargang van Groot Nederland (1904) verschijnt
een uitvoerig verhaal van Cyriel Buysse, getiteld: ’n Dorpje. Typen, beelden en
herinneringen. Is het zijn geboortedorp Nevele? Waarschijnlijk. De schrijver
schetst een beeld van de verkiezingsstrijd en de manier waarop de overwinning
wordt gevierd. Als we hem op zijn woord mogen geloven, ging het er in het
Vlaanderen van het einde van de negentiende eeuw na de bekendmaking van de
uitslag bijzonder levendig aan toe. Zie ook het merkwaardige gewoonte om de
verliezers te jennen. In een verklarende noot merkt de schrijver op:
Een landelijk
Vlaamsch gebruik. Uit hoon en smaad worden, na de verkiezing, buizen (oude
kachelpijpen) voorbij de woningen der overwonnen candidaten heen en weer
gesleept.
Zoiets zie ik in Goirle
niet gauw gebeuren. Ik denk ook niet, dat ik mijn glasverzekering moet
verhogen. Op 19 maart is er enkel een bijeenkomst in het Jan van Besouw,
tijdens welke door kandidaten en hun (kleine) aanhang vrolijk dan wel treurig
wordt gekeken; men feliciteert of troost elkaar en daarna gaat ieder weer zijns
weegs. Maar die Vlamingen… Ik moest denken aan de woorden van Lodewijk van
Deyssel: “Ik ben de vriend der Vlamingen, periode 1830-1885, niet. Ju, ju, wat
een grof volkje.”
Maar laten we nu liever Cyriel aan het woord:
De Liberalen hebben in geval van overwinning aan het volk
beloofd:
Zes tonnen bier, een vaatje jenever, en vier groote, schoone
hespen.
De Katholieken hebben in geval van overwinning aan het volk
beloofd:
Acht tonnen bier, een vat jenever, en een varken in
zijn geheel.
De stemming is afgeloopen. In drukke, krioelende menigte
staat het volk, midden op de straat, vlak vóór het gemeentehuis, den uitslag af
te wachten.
Men weet nog niets, maar er loopen verwarde geruchten. Nu
eens zijn het de katholieken die 't zullen winnen, dan weer de liberalen.
Boven, achter de helle ramen der eerste verdieping, verschijnen af en toe
gezichten. Zij kijken naar het volk, beneden in de straat. Sommige hebben een
spotachtige uitdrukking, andere een ernstige. Gebaren, waarvan men niet
duidelijk de beteekenis kan vatten, worden af en toe gemaakt, schouders worden
opgehaald, open handen, met van elkaar gesperde vingers, als getallen, tegen de
vensters gedrukt, terwijl monden, met overdreven bewegingen der lippen, woorden
uitspreken, die men daar beneden in 't geraas toch niet begrijpen kan. Men
begrijpt eigenlijk niets, alles is verward en twijfelachtig, en niemand meer
mag boven komen: twee gendarmen houden op de stoep de wacht, en versperren
allen toegang tot 't gemeentehuis.
(…)
Daar barst het plotseling uit! Een wild gejuich, dat de ruiten
doet rinkelen, een wild gezwaai van armen en hoeden, en eensklaps twee, drie
ramen open, in daverend geschreeuw en hoera-kreten:
- Vivat de katholieken! Wig mee de liberoalen!
Een groot deel van het volk beneden stuift gillend uit elkaar,
woest rennend door de straten. Anderen hoezeeën tegen, nog anderen druipen in
haastige stilte af. De vlag op het gemeentehuis wordt uitgehangen, donderend
komen enkele mannen van de trappen gehold, duiven worden klappervleugelend
opgelaten. De katholieke partij, die aan 't bewind was, triomfeert, de vijanden
zijn verslagen, de dorpsmuziek wordt bij elkaar getrommeld, op den kerktoren
beginnen de feestklokken te luiden.
't Gepeupel jubelt luid zijn pret en tevredenheid uit. Acht
tonnen bier! een vat jenever! en een geheel varken! Waar zijn die tonnen? Waar
is dat vat? Men wil er dadelijk van drinken. En waar is ook het varken? Men wil
het zien! Men wil het oogenblikkelijk hebben.
(…)
Een aantal mannen, en ook enkele vrouwen en kinderen loopen
terstond van de biertonnen weg en dringen naar 't jenevervat. Een kraan er in,
en spoedig geeft het ook zijn inhoud. Helder als water, een
doordringend-sterken geur verspreidend, vult het dronkesap de kleinere
glaasjes. En als water slaan de mannen het naar binnen, in één teug, zonder te
slikken. De vrouwen beginnen schril te kwebbelen, een tiental kinderen, reeds
stomdronken, zwenken waggelend en gil-lachend over de plaats.
- Ons virken nou! Ons virken! De meesten, beu gedronken,
eischen nu ook 't beloofde varken. Ze weten wel niet wat zij er mee zullen
doen, maar zij eischen het toch, omdat het hun beloofd is.
- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Ons virken! Ons
virken!
't Beloofde zwijntje staat al vast klaar op de binnenplaats
van een herberg. Op bevel van den veldwachter wordt het naar buiten gehaald.
Het is een mooi zwijntje, van middelmatige grootte, heel en
al teer-rozekleurig, met een kort, scheef-krullend staartje en één enkele grauwe
vlek op 't linkeroor. Een woest gejuich begroet zijn knorrend optreden, en
honderden komen er brullend omheen zwieren en draaien, hand en hand, hossend en
springend, in een wilden rondedans.
- Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen! Vivat ons virken!
Vivat ons virken!
- Kom, we goan d'r mee deur 't dorp! gilt een stem.
- Mee buizen an zijn gat! roept een tweede.
- Joa joa, mee buizen, nondedzju! Wie hèt er buizen?
schreeuwen honderden.
- En mee 'n kiesbriefken op zijne rugge!
- Joa, nondedzju! mee 'n kiesbriefken op zijne rugge.
Een stuk oude, half verroeste kachelpijp wordt gehaald, en met
een sterke touw aan een der achterpooten van het zwijntje vastgebonden. Op zijn
rug wordt een kiesbriefje geplakt. Het zwijntje knort
en snuffelt.
- Vooruit.
In reusachtig joelen en gelach verlaat een kolossale stoet de
dorpplaats, en dringt in de straten door. Aan 't hoofd loopt het knorrend,
tegenstribbelend zwijntje, door een man aan een touw voortgetrokken, met den
witten kiesbrief op den rug en de ratelende kachelpijp na-hobbelend en sleepend
over de straatkeien. 't Gepeupel volgt, brullend en waggelend, afschuwelijk
dronken reeds, schreeuwbrabbelend met wijd-open kelen en uitpuilende oogen:
‘Leve de katholieken! Wig mee de liberoalen!’ De heele bevolking ziet toe,
schaterlachend geschaard langs de huizen.
Vóór het huis van den notaris, een der candidaten der
‘gebuisde’ liberale lijst, wordt even halt gehouden Het zwijntje wordt naar
voren geduwd, en heel de bende buldert los in oorverdoovend gejouw, gefluit, hoehoe-geroep
en nabootsing van dierenkreten. Een stok vliegt in de bovenruiten van het
doodstil, toegeblinde huis; een kei, groot als een kinderhoofd, beukt aan op de
gesloten deur. Verwilderd-knorrend springt het zwijn op zij en smakt zijn
leidsman op den grond, terwijl de kachelpijp ratelend heen en weer bonst en
hobbelt. Onder scherp-schaterend gegil wordt het weer vastgegrepen, en verder
zwenkt en lawaait de dronken bende er het dorp mee in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten