Hij liet zich bij de beoordeeling van zaken op het gezond
verstand voorstaan, trachtte alles in het daglicht eener cynische logika te
stellen, en was in den grond van zijn karakter meêgaand en beginselloos.
Vroeger, onder vrienden, spotte hij dikwijls met de kwesties, die in den Raad
tot uitvoerige gedachtenwisselingen aanleiding hadden gegeven, als iemand die
er geheel buiten staat, en er de schouders over ophaalt. Maar nauwelijks was
hij door de liberale kiesvereeniging ‘Recht en Vrijheid,’ met eene kleine
meerderheid van stemmen, kandidaat gesteld, of hij begon het noodzakelijk te
vinden in zekere Gemeenteaangelegenheden partij te kiezen. Hij was vóór het
nieuwe ‘Kurhaus te Scheveningen;’ alle buitenlandsche
badplaatsen hadden prachtige hotels en gebouwen laten zetten, zeide hij, en
Scheveningen alleen werd nog ontsierd door een leelijk, ouderwetsch badhuis;
wij moesten met andere badplaatsen kunnen konkurreeren, met Ostende,
Blankenberghe enz.; dan eerst zouden de vreemdelingen
komen. Die Hollanders waren ook altijd zoo achterlijk! Ook was hij van plan in
den Raad vóór een zeehaven te Scheveningen te spreken; zeker Scheveningen had
daar al lang behoefte aan, en den Haag zou daardoor wat
meer verkeer krijgen. In de kwestie van het Lager-Onderwijs zou hij zich
gematigd liberaal toonen. Waarachtig, het scheen wel of wij in de eeuw der
examens en schoolmeesters leefden; daar kon wel wat op bezuinigd worden, zonder
het Onderwijs te benadeelen. Gekheid, hoor! En bovendien, de tegenwoordige
finantieele toestand van het land eischte gebiedend besparing op de
Onderwijskosten. Maar hij was een radikaal van het gezond verstand wanneer er
over de sociaal-demokraten gesproken werd. Dat gespuis! Nu, hij zou er wel weg
meê weten; korte metten maken, dat was het beste. Zeker, want gaf je den
kaerels een vinger dan namen zij de geheele hand. Ellendige onruststokers!
En een week voor den verkiezingsdag werd hij warm door de
liberale dagbladen aanbevolen. Meneer Tienhuis was een man, die na een
eervollen en werkzamen loopbaan als dienaar van den Staat, in het ambtelooze
leven teruggekeerd, eene welverdiende rust genietend, nog werkkracht en lust
had overgehouden om in den Raad zijn kundig en door ondervinding rijp oordeel
over de Gemeentebelangen te doen hooren. Nu het land en de Gemeenten onder den
druk van een slechten finantieelen toestand gebukt gingen, moesten de kiezers
met beide handen de gelegenheid aangrijpen om eene zoo kundige, finantieele
specialiteit in den Raad af te vaardigen.
Toen eerst brak voor meneer Tienhuis een onrustigen tijd
aan. Hij bracht vele veranderingen in zijne dagelijksche gewoonten. Vroeger zat
hij veel tehuis, maar nu zag hij zich genoodzaakt zich overal in het openbaar
te vertoonen. Hij bezocht de muziek-uitvoeringen in ‘de Tent’ en den
Dierentuin, zelden bij zijne familie blijvend; telkens stond hij op om den een
of ander aan te spreken, of zich aan een ander tafeltje neêr te zetten, iemand
vertrouwelijk een hand te geven, iets in het oor te fluisteren, te lachen als
een goede bekende; voortdurend nam hij zijn hoed af voor menschen, welke zijne
zitplaats voorbijtrokken, en wier de namen hij nauwelijks kende. Men kon hem
elken middag in ‘de Witte’ of de ‘Besogne-kamer’ ontmoeten, in groot gezelschap
druk pratend, zich nu en dan aan een vreemde latende voorstellen. Hij stapte
gewoonlijk om twee uur, na het koffiedrinken, reeds uit, en vertoonde zijn
ernst en bezadigd uiterlijk in alle voorname straten van den Haag; soms bleef
hij op den hoek eener straat met iemand staan spreken, vriendelijk, voorkomemd,
met drukke, overtuigende bewegingen. Ook ging hij dikwijls de winkels zijner
leveranciers binnen om eene kleinigheid te bestellen, en eenige aangename
komplimentjes met de eigenaars te wisselen. De binnenzak zijner jas was vol
papiertjes met aanteekeningen en namen, waarover hij nooit met zijne vrouw
sprak, en die hij telkens herlas om te zien of hij niets vergeten had. En 's
avonds moest hij nog menigmaal bezoeken afleggen, die hij ophelderde door te
zeggen:
- O, wacht, ik moet nog even uit. - Ik ben in een oogenblik
terug.
Zijne huisvrienden werden aangespoord om hunne bekenden tot
eene goede opkomst bij de stembus te dwingen; sommigen, van wie men wist, dat
zij nooit stemden, werden aangemaand dezen keer toch vooral te gaan; en eenige
anderen, wier oordeel men nog niet kende, werden over hunne stem gepolst.
Meneer Tienhuis kwam er zelfs toe eenige burgermenschen, die veel invloed in
den stemmenden winkelstand hadden, en bij de verkiezingen in het verborgen als
wervings-agenten dienst deden, te gaan opzoeken; bij een ouden kapper, kreeg
hij zelfs eens niet-thuis, maar den volgenden dag kwam hij terug.
Zoodoende wist hij bij benadering te berekenen hoeveel
stemmen hij krijgen kon; de verkiezing hing nu slechts van de opkomst der
tegenpartij af.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten