woensdag 5 februari 2014

Soms bleef hij op den hoek eener straat met iemand staan spreken

Uit 'Studie's naar het naakt model'(1886) van Frans Netscher.


Hij liet zich bij de beoordeeling van zaken op het gezond verstand voorstaan, trachtte alles in het daglicht eener cynische logika te stellen, en was in den grond van zijn karakter meêgaand en beginselloos. Vroeger, onder vrienden, spotte hij dikwijls met de kwesties, die in den Raad tot uitvoerige gedachtenwisselingen aanleiding hadden gegeven, als iemand die er geheel buiten staat, en er de schouders over ophaalt. Maar nauwelijks was hij door de liberale kiesvereeniging ‘Recht en Vrijheid,’ met eene kleine meerderheid van stemmen, kandidaat gesteld, of hij begon het noodzakelijk te vinden in zekere Gemeenteaangelegenheden partij te kiezen. Hij was vóór het nieuwe ‘Kurhaus te Scheveningen;’ alle buitenlandsche badplaatsen hadden prachtige hotels en gebouwen laten zetten, zeide hij, en Scheveningen alleen werd nog ontsierd door een leelijk, ouderwetsch badhuis; wij moesten met andere badplaatsen kunnen konkurreeren, met Ostende, Blankenberghe enz.; dan eerst zouden de vreemdelingen komen. Die Hollanders waren ook altijd zoo achterlijk! Ook was hij van plan in den Raad vóór een zeehaven te Scheveningen te spreken; zeker Scheveningen had daar al lang behoefte aan, en den Haag zou daardoor wat meer verkeer krijgen. In de kwestie van het Lager-Onderwijs zou hij zich gematigd liberaal toonen. Waarachtig, het scheen wel of wij in de eeuw der examens en schoolmeesters leefden; daar kon wel wat op bezuinigd worden, zonder het Onderwijs te benadeelen. Gekheid, hoor! En bovendien, de tegenwoordige finantieele toestand van het land eischte gebiedend besparing op de Onderwijskosten. Maar hij was een radikaal van het gezond verstand wanneer er over de sociaal-demokraten gesproken werd. Dat gespuis! Nu, hij zou er wel weg meê weten; korte metten maken, dat was het beste. Zeker, want gaf je den kaerels een vinger dan namen zij de geheele hand. Ellendige onruststokers!

En een week voor den verkiezingsdag werd hij warm door de liberale dagbladen aanbevolen. Meneer Tienhuis was een man, die na een eervollen en werkzamen loopbaan als dienaar van den Staat, in het ambtelooze leven teruggekeerd, eene welverdiende rust genietend, nog werkkracht en lust had overgehouden om in den Raad zijn kundig en door ondervinding rijp oordeel over de Gemeentebelangen te doen hooren. Nu het land en de Gemeenten onder den druk van een slechten finantieelen toestand gebukt gingen, moesten de kiezers met beide handen de gelegenheid aangrijpen om eene zoo kundige, finantieele specialiteit in den Raad af te vaardigen.

Toen eerst brak voor meneer Tienhuis een onrustigen tijd aan. Hij bracht vele veranderingen in zijne dagelijksche gewoonten. Vroeger zat hij veel tehuis, maar nu zag hij zich genoodzaakt zich overal in het openbaar te vertoonen. Hij bezocht de muziek-uitvoeringen in ‘de Tent’ en den Dierentuin, zelden bij zijne familie blijvend; telkens stond hij op om den een of ander aan te spreken, of zich aan een ander tafeltje neêr te zetten, iemand vertrouwelijk een hand te geven, iets in het oor te fluisteren, te lachen als een goede bekende; voortdurend nam hij zijn hoed af voor menschen, welke zijne zitplaats voorbijtrokken, en wier de namen hij nauwelijks kende. Men kon hem elken middag in ‘de Witte’ of de ‘Besogne-kamer’ ontmoeten, in groot gezelschap druk pratend, zich nu en dan aan een vreemde latende voorstellen. Hij stapte gewoonlijk om twee uur, na het koffiedrinken, reeds uit, en vertoonde zijn ernst en bezadigd uiterlijk in alle voorname straten van den Haag; soms bleef hij op den hoek eener straat met iemand staan spreken, vriendelijk, voorkomemd, met drukke, overtuigende bewegingen. Ook ging hij dikwijls de winkels zijner leveranciers binnen om eene kleinigheid te bestellen, en eenige aangename komplimentjes met de eigenaars te wisselen. De binnenzak zijner jas was vol papiertjes met aanteekeningen en namen, waarover hij nooit met zijne vrouw sprak, en die hij telkens herlas om te zien of hij niets vergeten had. En 's avonds moest hij nog menigmaal bezoeken afleggen, die hij ophelderde door te zeggen:

- O, wacht, ik moet nog even uit. - Ik ben in een oogenblik terug.

Zijne huisvrienden werden aangespoord om hunne bekenden tot eene goede opkomst bij de stembus te dwingen; sommigen, van wie men wist, dat zij nooit stemden, werden aangemaand dezen keer toch vooral te gaan; en eenige anderen, wier oordeel men nog niet kende, werden over hunne stem gepolst. Meneer Tienhuis kwam er zelfs toe eenige burgermenschen, die veel invloed in den stemmenden winkelstand hadden, en bij de verkiezingen in het verborgen als wervings-agenten dienst deden, te gaan opzoeken; bij een ouden kapper, kreeg hij zelfs eens niet-thuis, maar den volgenden dag kwam hij terug.

Zoodoende wist hij bij benadering te berekenen hoeveel stemmen hij krijgen kon; de verkiezing hing nu slechts van de opkomst der tegenpartij af.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten